Foto: Henk Vording op zijn afscheidssymposium.
Op vrijdag 8 mei vond in het academiegebouw van de Universiteit Leiden een symposium plaats ter gelegenheid van het emeritaat van hoogleraar algemeen belastingrecht Henk Vording. Het symposium was getiteld ‘Flitsen uit de historie van de belastingheffing’. Aan de hand van zes verschillende fiscaal-historische lezingen werd op deze manier het academische oeuvre van Vording gevierd.
De bijeenkomst werd geopend door dagvoorzitter Bastiaan van Ganzen (universitair docent bij de afdeling belastingrecht aan de Universiteit Leiden). Van Ganzen opende met de woorden dat het symposium weliswaar wordt gehouden ter gelegenheid van het emeritaat van Vording maar dat er van afscheid geen sprake is. Zo is de voormalig hoogleraar nu nog bezig met vijf verschillende publicaties. Van een afscheid is in die zin geen sprake.
Volgens de dagvoorzitter is uitdrukkelijk gekozen om ‘flitsen’ uit de geschiedenis voorbij te laten komen, omdat de geschiedenis van de belastingheffing zo opmerkelijk lang en gevarieerd is dat een algehele beschouwing ‘tot het einde der tijden’ zou kunnen voortduren. Tegelijkertijd is het woord ‘flitsen’ een verwijzing naar het werk van de Oostenrijkse econoom Schumpeter. Nadruk daarop werd gelegd dat de geschiedenis van belastingen uiteindelijk de geschiedenis van de desbetreffende maatschappij blootlegt. De geschiedenis der fiscaliteit is derhalve de geschiedenis van ons allemaal, aldus Van Ganzen.
De vrouw als (on)volwaardig lid der maatschappij, vanuit historisch perspectief bezien
Dan begint de eerste spreker, Sonja Dusarduijn (universitair hoofddocent belastingrecht Tilburg University), met haar lezing. Vanwege persoonlijke omstandigheden was zij niet ter plaatse aanwezig maar vertelde zij haar verhaal middels een van tevoren opgenomen videoboodschap.
In haar bijdrage aan het symposium vertelde zij over de vrouw in het recht. De kernvraag die zij daarbij stelt: ‘Is de vrouw mens’? Daarmee doelde ze specifieker op de vraag of de vrouw vanuit juridisch (en maatschappelijk) perspectief als een gelijke wordt behandeld. Historisch gezien werd de vrouw nogal eens beschouwd als de zwakkere seks en als de wortel van het kwaad (Vgl. Genesis 3:5-17). Dit heeft zijn neerslag gevonden in verschillende rechtsregels.
Zo was de vrouw lange tijd binnen het huwelijk handelingsonbekwaam, bestond er een arbeidsverbod voor vrouwen en was de vrouw lange tijd binnen het huwelijk ook niet zelfstandig belastingplichtig. Dusarduijn benadrukte dat ook op andere vlakken de erkenning van de vrouw lange tijd achterbleef. Te denken valt aan de erkenning van de rol van vrouwen in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deze was tot vrij recent (met uitzondering van bijvoorbeeld Hannie Schaft) onbenoemd gebleven.
Pas sinds 2024 zijn de meeste van deze problemen juridisch gezien opgeheven, met als laatste wapenfeit
de gelijkschakelijking van het naamrecht. Desalniettemin – zo benadrukt de lectrix – blijven vrouwen op het gebied van materiële omstandigheden ongelijk. Zo kan de wereld volgens haar wel wat oestrogeen gebruiken om ook deze zaken recht te trekken.
Gezworen klerken, notarissen en het (fiscale) zegelpapier van de VOC
Daarna is het woord aan Fons Overwater (belastingadviseur en vrijwilliger bij het Belasting & Douane Museum), die het publiek meeneemt in de wondere wereld van het (fiscale) zegelpapier en de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC).
Hij begint zijn lezing door kort wat feiten te vertellen over de organisatie en de mensen die in dienst waren van de VOC, waar gebruik werd gemaakt van fiscaal zegelpapier. Zo was maar ongeveer 25 procent van de bemanning afkomstig uit streken die men thans Nederland noemt en werden veel wezen aangespoord om deel te nemen aan de vaak gevaarlijke reizen.
Het fiscale zegelpapier is uitgevonden door Jacob le Maire, zoon van de beruchte VOC-speculant Isaac le Maire, rondom het jaar 1600. Het doel is het innen van belasting op specifieke financiële transacties en documenten. Idee hierachter is dat het papier en de daarin neergelegde (rechts)handeling geen rechtskracht had zonder zegel. Dit idee was zo succesvol dat het in Nederland tot 1971 in een bepaalde vorm heeft bestaan en in vele andere landen nog steeds bestaat.
Aan de hand van het verhaal van het fiscale zegelpapier neemt Overwater ons mee in de fiscale geschiedenis van de VOC en haar overzeese bezittingen. Krachtens art. 35 van het Octrooi, van welk Octrooi de VOC haar bestaansrecht ontleende, werd de koloniale organisatie destijds geattribueerd met belastingheffing en rechtspraak.
Zo waren er tientallen soorten belastingen in Nederlands-Indië door de geschiedenis heen, velen voor ons onbekend. Veel belastingen hadden relaties met lokale aldaar wonende bevolkingsgroepen, zoals de belasting op Chinese begrafenissen ter financiering van een Chinees ziekenhuis. Deze zaken zijn ons onder meer goed bekend vanwege het fiscale zegelpapier.
Van cultuurstelsel naar een inkomstenbelasting
De volgende spreker was Maarten Manse (historicus gespecialiseerd in kolonialisme in Zuidoost-Azië en als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan Linnaeus University in Zweden). In de sfeer blijvend van onderzoek naar het fiscale, koloniale verleden van Nederland sprak hij over belastingheffing in het Nederlands-Indië van de 19e en 20e eeuw.
Manse neemt zijn gehoor mee naar het begin van de 19e eeuw, toen het cultuurstelsel in 1830 door gouverneur-generaal Johannes van den Bosch in Nederlands-Indië werd ingevoerd. Met dit belastingstelsel in natura moest de inheemse bevolking bij wijze van pacht een deel van haar grond gebruiken voor de teelt van marktgewassen, zoals indigo en koffie.
Dat kwam in de praktijk neer op dwangarbeid, waarbij de meerwaarde door de koloniale mogendheden werd opgestreken. Vanwege de grote steun van industriëlen en adel bleef het lange tijd van kracht (formeel tot 1870, op sommige plekken langer), waardoor de voor de industriëlen en adel nadelige inkomstenbelasting zolang mogelijk kon worden uitgesteld.
Nadat het cultuurstelsel was afgeschaft kwam er – zo vertelde Manse – een gemixt stelsel, waarbij onderscheid werd gemaakt tussen inlanders enerzijds en Nederlands en andere bevolkingsgroepen anderzijds. De regels (maar ook zeker de tariefschijven) verschilden aanzienlijk, wat de uitoefening vaak lastig maakte. Zo waren lokale vorsten verantwoordelijk voor de inning van de inheemse belastingen, wat corruptie in de hand werkte. Uiteindelijk is in 1920 een algemene regeling voor een inkomstenbelasting ingevoerd en in 1925 een regeling voor een winstbelasting.
Het Duitsland in het begin van de 20e eeuw en belastingen
Na een korte pauze – de lezingen duurden allemaal wat langer dan verwacht – mocht Fred van Horzen (of counsel bij KPMG Meijburg & Co te Amstelveen en raadsheer plv. bij Hof Arnhem-Leeuwarden) de bijeenkomst heropenen. Dat deed hij aan de hand van een bespreking van het gedachtegoed van een aantal Duitse geleerden, zoals Walther Rathenau.
Horzen begint zijn verhaal door de discussie omtrent de financiering van oorlog in het Duitsland van begin jaren ’10 van de 20e eeuw te schetsen. Zo werd er getwist over de vraag op welke manier een land zijn oorlogen moet financieren; moest dat geschieden met belastingheffing (zoals gebeurde volgens de in 1913 ingevoerde Wehrbeitrag) of via leningen?
Rathenau, die tijdens de Eerste Wereldoorlog een prominente positie als industrieel en politicus innam, wist de Duitse maatschappij om te vormen naar een oorlogseconomie. Zijn prominente rol bij de centrale organisatie van oorlogsgrondstoffen (Kriegsrohstoffabteilung) toont dat aan. Dat is opvallend, want voor de oorlog nam hij een anti-oorlogspositie in. Zo bepleitte hij onder meer om Engeland niet met het zwaard, maar economisch te verslaan.
Na de Eerste Wereldoorlog ontplooide Rathenau zich als politicus en kwam met allerlei voorstellen op het gebied van de fiscaliteit. Zo was hij een groot voorstander van zware belastingen op luxe artikelen, vermogen en op erfenissen, laat Van Horzen ons weten. Een en ander werkte hij uit in ‘Die neue Wirtschaft’ (1918), door sommigen ‘een utopisch geschrift’ genoemd.
Horzen sluit zijn lezing af door de discussies omtrent oorlogsfinanciering uit het Duitsland van begin 20e eeuw te koppelen aan onze huidige tijd, waarin ook meningsverschillen bestaan over het financieren van oorlog. Hij maakt daarbij stellig duidelijk dat het van het grootste belang is dat we de door Kabinet-Jetten I ingevoerde vrijheidsbijdrage fundamenteel ter discussie moeten stellen.
Een lof over Max Prinsen
Vervolgens is het woord aan Peter Essers (emeritus-hoogleraar belastingrecht Tilburg University, voormalig lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal en voorzitter van de Koninklijke Vereniging voor Belastingwetenschap). Hij spreekt allereerst zijn lof uit over Vording voor het zo stellig op de kaart brengen van de historische belastingwetenschap.
Vervolgens begint hij zijn lezing over de veelzijdige persoon Max Prinsen. Prinsen was een fiscalist met uitzonderlijke diplomatieke gaven, die voornamelijk tot uiting kwamen tijdens de Duitse bezetting. Hij werkte voor de rijksbelastingdienst, waarbij hij constant probeerde te navigeren tussen de nazi-censuur en onafhankelijke berichtgeving.
Prinsen was – naast zijn carrière bij de Rijksbelastingdienst – ook erg belangrijk voor de ontwikkeling van de belastingwetenschap. Als redacteur bij het Weekblad der Belasting schreef hij vanuit een academisch perspectief over de Nederlandse belastingen. Ook annoteerde hij fiscale uitspraken van de Hoge Raad, hetgeen nog steeds een belangrijke bron is voor de fiscale wetenschap.
Daarnaast was Prinsen betrokken bij verscheidene belangrijke gebeurtenissen uit de tweede helft van de 20e eeuw, in het bijzonder voor Nederland. Zo was hij onder meer secretaris van de Ronde Tafel Conferentie met Indonesië en werd zo een belangrijk spil in de soevereiniteitsoverdracht bij de Indonesische onafhankelijkheid.
De dertiende eeuwse stadstaat als fiscale blauwdruk voor moderne problemen
Als laatste hield Reinier Kooiman (werkzaam bij Stibbe, verbonden aan de Universiteit Leiden en auteur van ‘De sterkste schouders; wat de geschiedenis ons leert over (on)eerlijke belastingen’) zijn lezing. Als enige van de aanwezigen had Kooiman geen slideshow, maar dat maakte zijn verhaal zeker niet minder spannend.
Hij begon zijn verhaal in het jaar 1000, waar hongersnood met enige regelmaat voorkwam, de wereld feodaal gestructureerd is en horigen en lijfeigenen voor hun leenheer werken. Maar – zo vertelt Kooiman– dit is anders in het (Oost-) Romeinse Rijk, het islamitische Kalifaat der Abbasiden en de Italiaanse stadstaten.
Specifiek de Italiaanse stadstaten staan in schril contrast tot de rest van West-Europa. Daar begint de verstedelijking al vroeg en weten inwoners zich te ontdoen van het feodale juk, wat leidt tot grotere vrijheid en gelijkheid. Dat deze vrijheid en gelijkheid nodig is, blijkt wel uit de belangrijkste bezigheid: de handel.
Het is dan ook de handel die vele belangrijke ontwikkelingen stuwt en de stadstaten naar een hogere trap van ontwikkeling leidt. Zo ook voor Genua, die van nikszeggende stad naar een primitief kapitalistisch centrum groeit. Het recht op eigendom wordt in Genua dan ook goed beschermd. De daar geheven belasting ziet dan ook voornamelijk op de bescherming van het eigendomsrecht. Het verbaast dan ook niet dat de belasting (voornamelijk) wordt geheven van degene wiens belang ermee gediend is: van de vermogenden, over het vermogen. Volgens Kooiman is dat een zaak waar wij wel wat inspiratie van mogen opdoen.
Lof aan Vording
Nadat alle sprekers gesproken hebben, neemt de dagvoorzitter de microfoon weer ter hand om de bijeenkomst af te sluiten. Hierbij staat hij nog uitgebreid stil bij de persoon ‘Henk Vording’. Daarbij komen persoonlijke anekdotes voorbij en Vording wordt door hem geprezen. Zo maakt Van Ganzen duidelijk dat Vording niet alleen interesse heeft in zijn vakgebied, maar ook in de wereld in de breedste zin van het woord. Te denken valt aan cultuur, natuur en reizen.
Vording reageert kort en neemt nog een geschenk in ontvangst, waarna de bijeenkomst wordt afgesloten.
Met bijzonder veel dank aan Dirk Broekhuijsen voor de foto’s.
Bron: Verslaggever: Frank van der Salm. Foto's: Dirk Broekhuijsen
Informatiesoort: Nieuws
Rubriek: Belastingrecht algemeen