A-G Niessen kan zich vinden in het oordeel van het hof dat de kwitanties niet zonder meer kunnen dienen als bewijs voor de giftenaftrek omdat uit de kasadministratie van de stichting niet valt af te leiden of de contante betalingen die X stelt te hebben gedaan, ook daadwerkelijk zijn binnengekomen bij de stichting en zijn aangewend voor de doeleinden.

X trekt € 2500 af als contante in 2014 gedane giften aan een ANBI-stichting. Op basis van een onderzoek bij die stichting concludeert de inspecteur dat haar kasadministratie geen werkelijk beeld geeft van de geldstromen. In december 2016 wordt haar ANBI-status met terugwerkende kracht tot en met 2010 ingetrokken. Volgens Hof Amsterdam zijn op grote schaal valse giftkwitanties verhandeld en gebruikt. Deze kwitanties hebben dus geen bewijskracht. Er is door X geen ander plausibel bewijs ingebracht. X gaat in cassatie.

Advocaat-Generaal Niessen is van mening dat het hof bij het oordeel dat het op de weg van X ligt om nader bewijs te leveren, ten onrechte heeft meegewogen dat de kwitanties slechts met een krul zijn ondertekend. Daarnaast heeft het hof bevonden dat uit de kasadministratie van de Stichting niet valt af te leiden of de contante betalingen die X stelt te hebben gedaan aan de stichting, ook daadwerkelijk zijn binnengekomen bij de stichting en zijn aangewend voor de doeleinden die worden nagestreefd door de stichting. Daarmee kunnen de kwitanties volgens het hof niet zonder meer dienen als bewijs. Dit oordeel van het hof getuigt volgens de A-G niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede gelet op de omstandigheid dat het hof vrij is in het selecteren en waarderen van wat als bewijsmiddel is aangedragen en terzijde te stellen wat het voor het bewijs niet van waarde acht. Er is door het hof terecht ambtshalve geen immateriële schadevergoeding toegekend wegens het overschrijden van de redelijke termijn. In hoger beroep is die tweejaarstermijn weliswaar met 22 dagen overschreden, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de voortvarende behandeling in eerste aanleg. De A-G concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep van X.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 6.39

Wet inkomstenbelasting 2001 6.35

Wet inkomstenbelasting 2001 6.32

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)

Editie: 1 maart

5

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen