Rechtbank Den Haag oordeelt dat X geen recht heeft op aftrek van partneralimentatie. X maakt niet aannemelijk dat de door hem gedane betalingen kunnen worden aangemerkt als aan zijn ex-partner gedane betalingen in het kader van onderhoudsverplichtingen.

Belanghebbende, X, en zijn partner, D, gaan in 2013 uit elkaar. Zij komen hierbij overeen dat geen partneralimentatie hoeft te worden betaald, omdat beide partners in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Ten aanzien van een schuld aan de Rabobank komen zij overeen dat deze wel gezamenlijk blijft en dat D maandelijks de rente en aflossing van € 425 op een door X aan te wijzen rekening overmaakt. In 2016 brengt X € 705 aan partneralimentatie in aftrek. De inspecteur corrigeert deze aftrekpost. X stelt dat hij voor € 705 heeft bijgedragen in het levensonderhoud van D. Verder stelt hij dat D de aflossing en rente van € 5100 niet heeft betaald en dat dat bedrag ook aftrekbaar is als partneralimentatie.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat X geen recht heeft op aftrek van partneralimentatie. X maakt niet aannemelijk dat de door hem gedane betalingen kunnen worden aangemerkt als aan zijn ex-partner gedane betalingen in het kader van onderhoudsverplichtingen als bedoeld in art. 6.3 Wet IB 2001. De rechtbank wijst er daarbij op dat X niets heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij verplicht zou zijn om aan zijn ex-partner partneralimentatie te betalen. De betalingen komen niet in aftrek omdat X niet heeft bewezen dat hij de betalingen aan D heeft verricht op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting. Verder is er ook geen sprake van voldoening aan een dringende morele verplichting in de zin van art. 6.3 lid 1 onderdeel f Wet IB 2001. Het gelijk is aan de inspecteur.

[Bron Uitspraak]

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 24 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

  394
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen