De Hoge Raad oordeelt dat het hof de toegekende immateriële schadevergoeding ten onrechte heeft gematigd. De zaken van X bv, A en B bv zijn namelijk weliswaar gelijktijdig behandeld, maar niet gezamenlijk. X bv heeft recht op een schadevergoeding van € 7000.

Belanghebbende, X bv, verwerft IT-opdrachten en leent personeel in en uit. Bij het uitlenen zijn verder ook A, B bv en C bv betrokken. Naar aanleiding van een onderzoek stelt de inspecteur vast dat er sprake is geweest van winstoverheveling van X bv en B bv naar tussengeschakelde vennootschappen, die in Gibraltar zijn gevestigd. De inspecteur verhoogt daarom de winsten van X bv en B bv met aanzienlijke bedragen, en corrigeert de VPB-aangiften. X bv is het hier niet mee eens. Rechtbank Breda, Hof 's-Hertogenbosch en de Hoge Raad (op 18 november 2016) laten de aanslag in stand. De Hoge Raad verwijst de zaak van X bv uiteindelijk nog wel naar Hof Arnhem-Leeuwarden, om te beslissen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Hof Arnhem-Leeuwarden stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden met 80 maanden en 26 dagen, en dat X in beginsel recht heeft op een vergoeding van € 7000. Deze vergoeding moet volgens het hof echter worden gematigd omdat er sprake is van samenhang tussen de zaken van X bv, A en B bv. Deze zaken betreffen namelijk allemaal de IB- en VPB-aspecten van winstverschuivingen in internationaal verband. Het hof stelt de aan X toekomende vergoeding vervolgens vast op € 2400. Op 18 november 2016 wijst de Hoge Raad ook arrest in de zaken van B bv (nr. 15/04909 en 15/04910, V-N 2016/60.6). Die zaken worden door de Hoge Raad verwezen naar Hof Arnhem-Leeuwarden, omdat Hof 's-Hertogenbosch ten onrechte had geoordeeld dat een verzoek om immateriële schadevergoeding moet worden gemotiveerd.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof de aan X bv toegekende immateriële schadevergoeding ten onrechte heeft gematigd. Volgens de Hoge Raad kan er namelijk alleen dan sprake zijn van een matiging van de schadevergoeding, bij een gezamenlijk behandeling van verschillende belanghebbenden, wanneer sprake is van zaken die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Volgens de Hoge Raad is er in dit geval echter helemaal geen sprake van een gezamenlijke behandeling. De zaken van X bv, A en B bv zijn namelijk weliswaar gelijktijdig behandeld, maar niet gezamenlijk. De Hoge Raad doet de zaak zelf af en kent een immateriële schadevergoeding van € 7000 aan X bv toe.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet bestuursrecht 8:73

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Bronbelasting

Instantie: Hoge Raad

Editie: 19 november

13

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen