De Hoge Raad oordeelt dat de SW-bedrijfsopvolgingsregeling ook kan worden toegepast op een deel van het ondernemingsvermogen dat is verkregen in de vijf jaar voorafgaande aan de verkrijging door de heer X1 en toen een zelfstandige onderneming was.

De heer X1 krijgt in december 2014 door een schenking van zijn vader een (certificaat)belang van 20% in het aandelenkapitaal van E Holding bv. De holding houdt alle aandelen in E bv, die op haar beurt 55% bezit van de aandelen in H Holding bv. H Holding bv houdt alle aandelen in F bv, die een onderneming drijft als bedoeld in art. 3.2 Wet IB 2001. F bv heeft in 2013 alle activa en passiva gekocht van G bv. In geschil is of de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) kan worden toegepast op dit indirecte aanmerkelijk belang. Volgens Rechtbank Noord-Holland was G bv destijds een zelfstandige onderneming en is in zoverre dus niet voldaan aan de bezitseis. X1 gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat de BOR ook kan worden toegepast op een deel van het ondernemingsvermogen dat is verkregen in de vijf jaar voorafgaande aan de verkrijging door X1 en toen een zelfstandige onderneming was. De andersluidende opvatting van de rechtbank is onjuist, ondanks dat de Staatssecretaris van Financiën bij de behandeling van een later wetsvoorstel (34.552, Kamerstukken I 2016/17, E, p. 61) ervan blijk gaf deze opvatting ook te huldigen. Opmerking verdient nog wel dat in de onderneming van E Holding bv geen meerdere ondernemingen als bedoeld in art. 3.2 Wet IB 2001 zijn te onderscheiden. Het beroep van X1 is gegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.2

Successiewet 1956 35d

Successiewet 1956 35c

Successiewet 1956 35b

Rubriek: Schenk- en erfbelasting

Editie: 2 juni

Instantie: Hoge Raad

Carrousel: Carrousel

Informatiesoort: VN Vandaag

  988
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen