A-G Wattel is van mening dat het hof de bewijslast van de antifiscale bedoelingen van de aandeelhouders terecht bij de inspecteur heeft gelegd en voor zowel de ‘subjectieve’ als de ‘objectieve’ toets terecht zonder beperking tegenbewijs heeft toegelaten.

X1 bv en X2 bv zijn persoonlijke holdings van een vader en zijn zoon. De vader is in 2011 geëmigreerd naar Curaçao, zodat X1 bv daar is gevestigd. De zoon woonde al vóór 2007 op Curaçao. De vader had ook de feitelijke leiding over X2 bv, zodat die sinds zijn emigratie ook op Curaçao is gevestigd. De holdings houden certificaten van aandelen in een Nederlandse familie-BV (C bv), die participeerde in D bv. In december 2015 verkoopt C bv haar belang in D bv aan een derde en in januari 2016 is de verkoopopbrengst uitgekeerd aan de betreffende Stichting administratiekantoor, die deze heeft dooruitgedeeld aan de holdings. Zij ontvangen elk € 13.819.076 en hebben deze niet dooruitgedeeld. De dividenden waren tot 2016 onder de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) belast met 15% Nederlandse dividendbelasting. De inspecteur belast de dividenden bij de holdings op grond van art. 17 lid 3 onderdeel b Wet VPB 1969. Zowel Rechtbank als Hof Den Haag achten die antimisbruikbepaling niet van toepassing. De Staatssecretaris gaat in cassatie.

Advocaat-Generaal Wattel is van mening dat het hof de bewijslast van de antifiscale bedoelingen terecht bij de inspecteur heeft gelegd en voor zowel de ‘subjectieve’ als de ‘objectieve’ toets terecht zonder beperking tegenbewijs heeft toegelaten. Het voordeel dat de inspecteur de holdings wil onthouden, is geen gevolg van kunstmatig handelen of nalaten. Het wordt veroorzaakt door het per 1 januari 2016 vervangen van de BRK door de Belastingregeling Nederland Curaçao (BRNC). Het hof heeft feitelijk vastgesteld dat de holdings niet hebben geanticipeerd, gespeculeerd, gestructureerd of geconstrueerd op resultaten van de BRNC-onderhandelingen en dat bij het ontstaan van de concernstructuur, de emigratie van vader en de verkoop van de D-aandelen op geen moment sprake was van antifiscaal handelen of nalaten. De A-G concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen van de Staatssecretaris.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 17

Rubriek: Internationaal belastingrecht, Vennootschapsbelasting

Editie: 28 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)

1316

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen