De Hoge Raad volgt de overweging van de rechtbank dat de inkeerregeling een bepaling is die op de sanctieoplegging betrekking heeft en derhalve valt onder de werking van art. 7 EVRM. Dit betekent volgens de Hoge Raad echter niet dat X, die is ingekeerd na aanscherping van de inkeerregeling, een beroep kan doen op de (gunstigere) inkeerregeling zoals deze gold ten tijde van het plegen van de strafbare feiten.

Belanghebbende, X, maakt op 30 december 2014 gebruik van de inkeerregeling. Zij sluit met de inspecteur een vaststellingsovereenkomst, inhoudende dat alle correcties voor de jaren 2001 t/m 2013 worden geformaliseerd in één navorderingsaanslag IB/PVV 2013 en een vergrijpboete van 30% van de nagevorderde belasting. Voor de jaren 2012 en 2013 wordt geen boete opgelegd. In de vaststellingsovereenkomst heeft X zich het recht voorbehouden om rechtsmiddelen in te stellen tegen de vergrijpboete. Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inkeerregeling valt onder het bereik van art. 7 EVRM. Dit brengt mee dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan ten tijde van het plegen van het strafbaar feit van toepassing was. In het geval van X betekent het voorgaande dat de vergrijpboete komt te vervallen, voor zover deze betrekking heeft op aangiften van vóór 1 januari 2010.

De Hoge Raad volgt de overweging van de rechtbank dat de inkeerregeling een bepaling is die op de sanctieoplegging betrekking heeft en derhalve valt onder de werking van art. 7 EVRM. Dit omdat de inkeerregeling mede bepalend is voor de hoogte van de boete. Dit betekent volgens de Hoge Raad echter niet dat X, die is ingekeerd na aanscherping van de inkeerregeling, een beroep kan doen op de (gunstigere) inkeerregeling zoals deze gold ten tijde van het plegen van de strafbare feiten. De verwachtingen die een belanghebbende mag ontlenen aan de inkeerbepaling, moet worden beoordeeld naar het moment waarop de betrokkene inkeert. De aanscherping van de inkeerregeling bepaalt dat de oude regeling tot 1 januari 2010 bleef gelden voor aangiften die vóór die datum waren gedaan of gedaan hadden moeten worden. De wetgever heeft hiermee belanghebbenden de gelegenheid gegeven hun gedrag op de wetswijziging af te stemmen. De regeling was voldoende duidelijk over de vraag of, en zo ja, tot welk bedrag iemand het risico op een boete loopt. Het oordeel van de rechtbank berust dus op een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad verwijst de zaak voor een nieuwe beoordeling van het beroep met inachtneming van de nieuwe tekst van de inkeerregeling.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet inzake rijksbelastingen 67n

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 5 november

Informatiesoort: VN Vandaag

  557
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen