Rechtbank Oost-Brabant oordeelt dat de heffingsambtenaar het bezwaar van de erven wegens het ontbreken van een verklaring van erfrecht en een ontoereikende machtiging niet-ontvankelijk mocht verklaren.

Belanghebbenden komen in bezwaar tegen een WOZ-beschikking. In geschil is of de heffingsambtenaar het bezwaar wegens het ontbreken van een verklaring van erfrecht niet-ontvankelijk mocht verklaren.

Rechtbank Oost-Brabant oordeelt dat de heffingsambtenaar het bezwaar van de erven wegens het ontbreken van een verklaring van erfrecht niet-ontvankelijk mocht verklaren. De gemachtigde van de erven overlegt een machtiging van één van de erfgenamen en een testament van de erflater, maar geen verklaring van erfrecht. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar om een verklaring van erfrecht als bedoeld in de artikelen 4:187 en 4:188 van het BW heeft kunnen vragen, nu de heffingsambtenaar op basis daarvan onder meer kan vaststellen wie de erfgenamen zijn en of sprake is van een geldig testament. De heffingsambtenaar hoefde dan ook geen genoegen te nemen met het testament. De heffingsambtenaar heeft voldoende mogelijkheid geboden het verzuim, de ontbrekende verklaring van erfrecht en een ontoereikende volmacht, te herstellen en was dus bevoegd het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Er is geen reden om aan te nemen dat de heffingsambtenaar niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het beroep van belanghebbenden is ongegrond.

Lees ook het thema Bezwaar: het gesloten stelsel van rechtsbescherming

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet bestuursrecht 6:6

Algemene wet bestuursrecht 6:5

Instantie: Rechtbank Oost-Brabant

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 17 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

  301
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen