Belanghebbende, X, houdt de aandelen in Y bv. Eind 2012 beloopt de rc-vordering van Y bv op X ruim € 2 mln. In 2014 emigreert X naar Spanje. Naar aanleiding van door X verstrekte informatie stelt de inspecteur dat in 2012, dan wel 2014, sprake is van een winstuitdeling voor nagenoeg het volledige bedrag van de rc-schuld. Volgens de inspecteur beschikt X eind 2012 namelijk over onvoldoende inkomen en vermogen om de leningen af te lossen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat eind 2012 een winstuitdeling heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft geen feiten en omstandigheden gesteld, gelegen in het jaar 2012, waaruit blijkt dat in 2012 sprake is van ‘prijsgegeven’ en dus een onttrekking. De inspecteur toont niet aan dat de negatieve vermogenspositie van X, en dus de verhaalpositie van Y bv, in 2012 significant is gewijzigd. Ook toont hij niet aan dat er wijzigingen in de verdiencapaciteit van X hebben plaatsgehad en of de rc-schuld van X aan Y bv was opgelopen in 2012. Voor het jaar 2014 geldt hetzelfde. Daarbij merkt de rechtbank op dat de mededeling dat geen aflossingen meer worden verwacht op een aantal leningen niet inhoudt dat Y bv haar rechten als crediteur heeft prijsgegeven op grond van de met X bestaande vennootschappelijke betrekkingen. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslagen.
Wetsartikelen:
Wet inkomstenbelasting 2001 4.12
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 24 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag