De Kennisgroep onroerende zaken heeft een standpunt ingenomen over de situatie waarin een belastingplichtige bij het aangaan van een overeenkomst van geldlening met een geldverstrekker tegelijkertijd is overeengekomen dat een deel van het geleende bedrag direct wordt afgelost met een schenking van dezelfde geldverstrekker.

De verstrekte lening kwalificeert niet als eigenwoningschuld, omdat in casu niet wordt voldaan aan de fiscale aflossingsverplichting.

In de voorgelegde casus ontvangt een belastingplichtige een familielening van € 200.000, waarop na enkele dagen een aflossing van € 50.000 plaatsvindt door een schenking van dezelfde geldverstrekker. Voor het resterende bedrag wordt afgesproken dat dit pas na vijf jaar annuïtair in 300 maanden wordt afgelost.

De hoogte van de geldlening bedraagt volgens de kennisgroep € 150.000, omdat voor het deel van € 50.000 een reële terugbetalingsverplichting ontbreekt. De hoogte van de eigenwoningschuld bedraagt daarnaast nihil. Doordat de lening pas na 5 jaar annuïtair in 300 maanden wordt afgelost, wordt niet voldaan aan de contractuele aflossingsverplichting als bedoeld in art. 3.119a lid 1 onderdeel b Wet IB 2001. Hierdoor kwalificeert de lening niet als eigenwoningschuld. De lening valt daardoor in box 3.

Lees ook het thema De eigenwoningregeling.

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.119c

Wet inkomstenbelasting 2001 3.119a

[Nieuwsbron]

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Inkomstenbelasting, Schenk- en erfbelasting

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 12 juni

Carrousel: Carrousel

75

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen