Rechtbank Den Haag oordeelt dat de IB-aangifte over 2010 niet zodanig ongebruikelijk was dat onmiddellijk duidelijk moest zijn dat deze niet zonder onderzoek kon worden gevolgd. Voor 2011 wordt de kwade trouw van de belastingconsulent aan de heer X toegerekend.

De heer X doet via een belastingconsulent IB-aangifte over 2010, 2011 en 2013. In 2013 start de Belastingdienst een onderzoek naar deze consulent, dat uitmondt in een strafrechtelijk onderzoek. In geschil is of vervolgens terecht IB-(navorderings)aanslagen aan X zijn opgelegd. Volgens X is er voor 2010 en 2011 geen nieuw feit omdat de inspecteur al geruime tijd op de hoogte was van het verdachte aangifte-gedrag van de consulent.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de aangifte over 2010 niet zodanig ongebruikelijk was dat onmiddellijk duidelijk moest zijn dat deze niet zonder onderzoek kon worden gevolgd. Voor 2011 wordt de kwade trouw van de consulent aan X toegerekend (zie HR 23 januari 2009, 07/10942, V-N 2009/8.6). Kennelijk zijn voor dat jaar - zonder enig bewijs - willekeurige specifieke zorgkosten naar ronde bedragen opgevoerd. De aftrek van giften aan een stichting in 2010 en 2013 is ook terecht gecorrigeerd. De achteraf opgemaakte kwitanties en de verklaring uit 2016 van de penningmeester van deze stichting zijn namelijk onvoldoende bewijs. De beroepen van X zijn ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 6.32

Algemene wet inzake rijksbelastingen 16

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Belastingrecht algemeen, Bronbelasting

Editie: 5 november

Informatiesoort: VN Vandaag

  887
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen