Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt onder verwijzing naar het Kerst-arrest (HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, V-N 2022/2.3) dat X door het forfaitaire stelsel zoals volgt uit de Wet IB 2001 onrechtmatig wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement.

X verkoopt op 31 december 2020 zijn woning voor een bedrag van € 643.000. De koopsom is eerst gestort op de derdengeldenrekening van de notaris en kort na 1 januari 2021 gestort op de bankrekening van X. Op het vorderingsrecht dat X op 1 januari heeft op de notaris, geniet hij geen dan wel een verwaarloosbaar rendement. In geschil is of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen dient te worden verminderd.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt onder verwijzing naar het Kerst-arrest (HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, V-N 2022/2.3) dat X door het forfaitaire stelsel zoals volgt uit de Wet IB 2001 onrechtmatig wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, omdat in casu geen dan wel verwaarloosbaar rendement is genoten. De eventueel ongerealiseerde vermogenswinsten op de bloot eigendom van een woning waarvan de ouders van X het vruchtgebruik hebben, vallen niet onder ‘werkelijk behaald rendement’. De rechtbank geeft de doorslag aan een grammaticale uitleg en sluit voor het rechtsherstel aan bij het werkelijke rendement over het aan X toegerekende vermogen, zijnde nihil. X' beroep is gegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 5.3

Wet inkomstenbelasting 2001 5.2

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 1 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

Dossiers: Box 3

983

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen