De Hoge Raad heeft onlangs in een arrest prejudiciële vragen gesteld over de btw-herzieningsregels voor investeringsgoederen. Wetenschappelijk bezien is deze procedure zeker interessant, maar btw-specialiste Madeleine Merkx vraagt zich af of de zaak voor de praktijk wel zo prettig is. "De kans dat het Europese Hof van Justitie in het nadeel van Nederland oordeelt is klein, een nadelige uitspraak is slechts in een beperkt aantal praktijksituaties voordelig en een grote wijziging van de toch al ingewikkelde herzieningsregels ligt dan op de loer."

Prejudiciële vragen

De btw-herzieningsregels zijn mogelijk in strijd met de BTW-richtlijn voor wat betreft de herziening van de btw-aftrek op een investeringsgoed in één keer op het moment van ingebruikname. Omdat de Hoge Raad twijfelt, zijn er prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie. In het arrest staat de vraag centraal of bij investeringsgoederen de herziening per herzieningsjaar moet plaatsvinden of op het herijkingsmoment van ingebruikname gevolgd door een eventuele verdere aanpassing gedurende de herzieningsperiode van 5 jaar voor roerende goederen en 10 jaar voor onroerende goederen.

Mocht uit de herzieningsregels van de BTW-richtlijn blijken dat herziening, inclusief het jaar van ingebruikname, per herzieningsjaar moet plaatsvinden, dan vraagt de Hoge Raad zich af of de Nederlandse herzieningsregeling toch richtlijnconform is, gezien de bevoegdheden die de BTW-richtlijn aan lidstaten toekent. Zo mogen lidstaten het bij herziening in aanmerking te nemen btw-bedrag nader bepalen en kunnen zij passende maatregelen treffen zodat herziening niet tot ongerechtvaardigde voordelen leidt.

Terechte navraag

Volgens Merkx, partner bij BDO en professor aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, stelt de Hoge Raad terecht prejudiciële vragen. “Het is niet uit te sluiten dat de Nederlandse herzieningsregels, waarbij in het eerste herzieningsjaar bij de ingebruikneming de volledig toegepaste btw-aftrek in aanmerking wordt genomen, niet helemaal in lijn zijn met de BTW-richtlijn. Niet voor niets haalt de Hoge Raad de Poolse zaak Gmina Międzyzdroje uit 2014 aan. De betreffende belastingplichtige in deze zaak wilde de volledige btw-aftrek in één keer, binnen één belastingjaar, herzien, terwijl de Poolse regeling een herzieningsperiode van tien jaar voorschreef, te rekenen vanaf de ingebruikneming van het onroerend goed. Het Europese Hof van Justitie besliste toen dat de Poolse herzieningsregeling met een herzieningsperiode van 10 jaar, waarbij een herziening in één keer, in één belastingjaar, dus wordt uitgesloten verenigbaar is met de BTW-richtlijn.”

Onzeker

De gestelde prejudiciële vragen zijn dus terecht. De uitkomst daarentegen is onzeker. Kijkende naar de Poolse zaak Gmina Międzyzdroje is de conclusie, dat op grond van de BTW-richtlijn ook in het eerste jaar (bij ingebruikname en einde boekjaar ingebruikname) een partiële en tijdsevenredige herziening verplicht is, snel te trekken. Voor Merkx is dit te voorbarig en is de kans klein dat het Hof van Justitie uiteindelijk in het nadeel van Nederland beslist. “Aan de andere kant is niks zeker. Het is maar net hoe het Hof van Justitie de zaak benadert. Bij een puur tekstuele uitleg van de BTW-richtlijn kun je zeggen dat de Nederlandse herzieningsregeling niet klopt. Ik verwacht echter dat het Hof ook het eindresultaat in ogenschouw neemt. En dat eindresultaat is zowel bij herziening in jaarlijkse termijnen als bij herziening in één keer op het tijdstip van ingebruikname en vervolgens gedurende de herzieningsperiode als het oorspronkelijke gebruik van het investeringsgoed afwijkt, gelijk.”

Merkx vervolgt: “Het gedurende de herzieningsjaren spreiden van de terug te betalen btw-aftrek levert ten opzichte van een herziening in één keer wel een financieringsvoordeel op als je op het tijdstip van ingebruikname van btw-belast gebruik naar btw-vrijgesteld gebruik gaat. Of het Hof van Justitie dit zal bestempelen als een ongerechtvaardigd voordeel van herziening (zodat Nederland een beroep kan doen op de in de BTW-richtlijn aan lidstaten toegekende bevoegdheden) is niet op voorhand te zeggen. In de omgekeerde situatie, van btw-vrijgesteld gebruik naar btw-belast gebruik op het tijdstip van ingebruikname, is immers sprake van een nadeel.”

Onrust

De gestelde prejudiciële vragen kunnen uiteindelijk een grote impact hebben op de Nederlandse herzieningsregeling. “Een eventuele mismatch tussen deze regeling en de BTW-richtlijn is natuurlijk interessant, maar de Nederlandse ondernemer is hier niet bij gebaat,” vindt Merkx. “Ondernemers kampen nu al met ingewikkelde herzieningsregels. Ik ben bang dat het Europese Hof van Justitie, net als destijds in de Don Bosco-zaak over een btw-bouwterrein, niet tot een duidelijke uitspraak komt. Meer onduidelijkheid leidt tot meer jurisprudentie. Ook kan het oordeel van het Hof van Justitie in de nu voorliggende zaak voor de wetgever aanleiding zijn voor niet alleen herstelwetgeving maar een bredere herziening van de herzieningsregels. Dan komt mogelijk ook het fel bekritiseerde plan van een herziening op diensten weer in beeld. Of we daar nu zo blij mee moeten zijn, is sterk te betwijfelen.”

Bron: Redacteur Marit Muller

Informatiesoort: Interviews, Nieuws

Focus: Focus

Rubriek: Europees belastingrecht, Omzetbelasting

Carrousel: Carrousel

  545
Gerelateerde artikelen