Bedrijfstakpensioenfonds Stichting X voert diverse pensioenregelingen uit en heeft het beheer van haar vermogen onder meer ondergebracht bij niet in Nederland gevestigde vermogensbeheerders. In haar BTW-aangifte voor het tweede kwartaal van 2022 voldoet X naar haar verlegde BTW die betrekking heeft op dienstverlening door de buitenlandse vermogensbeheerders. In geschil is of X terecht de naar haar verlegde BTW heeft voldaan voor de verleende beheersdiensten. Volgens X is de BTW-vrijstelling voor beleggingsfondsen of -maatschappijen van ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen van toepassing (art. 11 lid 1 onderdeel i sub 3 Wet OB 1968). Het geschil spits zich daarbij toe op de vraag of de deelnemers in X het beleggingsrisico dragen.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de BTW-vrijstelling voor beleggingsfondsen of -maatschappijen van ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen niet van toepassing is. Volgens de rechtbank maakt X niet aannemelijk dat de deelnemers een beleggingsrisico lopen dat vergelijkbaar is met dat van de deelnemers in een beleggingsfonds of -instelling. De rechtbank verwijst daarbij onder andere naar het ATP PensionService-arrest (13 maart 2014, C-464/12, V-N 2014/15.19) en het Stichting BPL Pensioen e.a.-arrest (5 september 2024, C-639/22, V-N 2024/39.15) van het Hof van Justitie. De hoogte van de beoogde pensioenuitkering wordt gevormd door het jaarsalaris en het aantal dienstjaren, eventuele beleggingsresultaten van X spelen hierbij geen rol. Dit betekent dat de grondslag niet varieert als gevolg van de eventuele door X behaalde beleggingsresultaten. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 11
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Omzetbelasting
Editie: 8 mei
Informatiesoort: VN Vandaag