X bezit een eigen woning met een WOZ-waarde van € 2.086.000. De aanslag IB/PVV 2023 volgt de aangifte en omvat een eigenwoningforfait van € 25.021, aftrekbare rente van € 17.870 en een aftrek geen of geringe eigenwoningschuld van € 5.960, wat resulteert in een saldo van € 1.191. X maakt bezwaar tegen toepassing van het verhoogde percentage van 2,35% voor het deel van de woningwaarde boven € 1.200.000. De inspecteur handhaaft de aanslag waarna X beroep instelt. In geschil is of het verhoogde eigenwoningforfait van 2,35% strijdig is met art. 1 EP EVRM in combinatie met art. 14 EVRM.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de wetgever een ruime beoordelingsmarge heeft bij fiscale regelgeving en dat het verhoogde percentage van 2,35% binnen deze marge valt. De rechtbank verwijst naar de wetsgeschiedenis waaruit blijkt dat het beleggingsaspect bij duurdere woningen een grotere rol speelt. Ook sluit de rechtbank aan bij het oordeel van Hof Amsterdam van 21 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2995, V-N 2026/5.1.6, dat het forfait niet bovenmatig is. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.112
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 14
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 8 mei
Informatiesoort: VN Vandaag