X dient samen met Y aangifte IB/PVV 2019 in met verzamelinkomens van respectievelijk € 104.652 en € 104.198. Beiden betalen € 22.221 Franse inkomstenbelasting en realiseren een vervreemdingsvoordeel van € 202.132 uit aanmerkelijk belang. De primitieve aanslagen leiden tot belastingrente van € 1264 voor X en € 1411 voor Y. Na correspondentie over herverdeling van inkomensbestanddelen legt de inspecteur een navorderingsaanslag op waarbij het verzamelinkomen van X uitkomt op € 209.535 en € 3912 belastingrente wordt berekend. Y ontvangt een vermindering van haar aanslag en teruggaaf van belastingrente. X maakt bezwaar en de inspecteur vermindert de belastingrente met € 231 wegens eerdere betaling van de belastingschuld. In geschil is of de inspecteur de belastingrente bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 terecht en tot het juiste bedrag vaststelt.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur de belastingrente berekent overeenkomstig art. 30fc AWR en de juiste periode toepast. De rechtbank stelt vast dat de te lage belastingrente bij de primitieve aanslagen geen invloed heeft op de rechtmatigheid van de latere beschikking omdat de wijziging voortvloeit uit het verzoek van X tot herverdeling van inkomensbestanddelen. De rechtbank verwerpt het beroep op strijd met hogere regelgeving en het verbod van reformatio in peius. De inspecteur past bovendien een vermindering toe voor de periode na betaling van de belastingschuld. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30FC
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30J
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 13 mei
Informatiesoort: VN Vandaag