De Hoge Raad oordeelt dat bij een WOZ-waardevaststelling volgens de huurwaardekapitalisatiemethode de gemeente desgevraagd wél de huurwaarde en de kapitalisatiefactor inclusief de daaraan ten grondslag liggende prijzen moet verstrekken, maar niet de bronnen waaraan deze zijn ontleend.

Belanghebbende, X, maakt bezwaar tegen de WOZ-waarde 2020 van een kantoorvilla. De WOZ-waarde is bepaald met de huurwaardekapitalisatiemethode. X verzoekt met een beroep op art. 40 Wet WOZ om verstrekking van onder meer de huurovereenkomsten en huurinlichtingenformulieren van de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingspanden. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de heffingsambtenaar art. 40 lid 2 Wet WOZ heeft geschonden door de gevraagde stukken niet te verstrekken.

De Hoge Raad oordeelt dat bij een WOZ-waardevaststelling volgens de huurwaardekapitalisatiemethode de gemeente desgevraagd wél de huurwaarde en de kapitalisatiefactor inclusief de daaraan ten grondslag liggende prijzen moet verstrekken, maar niet de bronnen waaraan deze zijn ontleend. De heffingsambtenaar was daarom op grond van art. 40 lid 2 Wet WOZ niet verplicht om afschriften van de huurovereenkomsten en huurinlichtingenformulieren aan X te zenden. De Hoge Raad verwijst naar HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, V-N 2026/14.20 en oordeelt dat de uitgangspunten voor de gegevensverstrekking ex. art. 40 Wet WOZ uit dat arrest ook gelden voor de waardevaststelling van niet-woningen. Onder verwijzing naar dat arrest verwerpt de Hoge Raad de opvatting van B&W dat een schending van art. 40 Wet WOZ zich sowieso niet kon voordoen omdat X in redelijkheid ook al in staat was om de waarde ter discussie te stellen met de informatie die haar al in bezwaar was verstrekt.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet waardering onroerende zaken artikel 40

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 10 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

99

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen