Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de overboeking van het collegegeld aan een hogeschool vóór aanvang van de binnenlandse belastingplicht een betaling is in de zin van art. 6.40 Wet IB 2001 en geen depotstorting. De scholingsuitgaven komen daarom niet voor aftrek in aanmerking.

X heeft de Indiase nationaliteit en komt in 2019 naar Nederland om een opleiding te volgen aan een hogeschool. De hogeschool verzoekt X vóór 1 juni 2019 een bedrag van € 20.659 als "financial guarantee" over te maken, waarvan € 8540 collegegeld betreft. X maakt het bedrag op 12 juni 2019 over naar de bankrekening van de hogeschool. Op 24 augustus 2019 arriveert X in Nederland. De gemachtigde van X doet op 6 mei 2024 aangifte IB/PVV 2019 en merkt € 8290 aan als aftrekbare studiekosten. De inspecteur weigert de aftrek. X gaat in beroep.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat de overboeking op 12 juni 2019 een depotstorting is. Tussen X en de hogeschool bestaat een rechtsverhouding waaruit een toekomstige betalingsverplichting voor het collegegeld voortvloeit. X onderbouwt niet met stukken dat hij het overgemaakte geld vóór 1 september 2019 kan terugvorderen. De betaling vindt daarom plaats op 12 juni 2019, op een moment dat X nog geen binnenlandse belastingplichtige is. De scholingsuitgaven komen niet voor aftrek in aanmerking bij de aanslag IB/PVV 2019. Het beroep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.40

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 10 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

17

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen