X heeft de Indiase nationaliteit en komt in 2019 naar Nederland om een opleiding te volgen aan een hogeschool. De hogeschool verzoekt X vóór 1 juni 2019 een bedrag van € 20.659 als "financial guarantee" over te maken, waarvan € 8540 collegegeld betreft. X maakt het bedrag op 12 juni 2019 over naar de bankrekening van de hogeschool. Op 24 augustus 2019 arriveert X in Nederland. De gemachtigde van X doet op 6 mei 2024 aangifte IB/PVV 2019 en merkt € 8290 aan als aftrekbare studiekosten. De inspecteur weigert de aftrek. X gaat in beroep.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat de overboeking op 12 juni 2019 een depotstorting is. Tussen X en de hogeschool bestaat een rechtsverhouding waaruit een toekomstige betalingsverplichting voor het collegegeld voortvloeit. X onderbouwt niet met stukken dat hij het overgemaakte geld vóór 1 september 2019 kan terugvorderen. De betaling vindt daarom plaats op 12 juni 2019, op een moment dat X nog geen binnenlandse belastingplichtige is. De scholingsuitgaven komen niet voor aftrek in aanmerking bij de aanslag IB/PVV 2019. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.40
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 10 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag