Wijlen X werkte tot 2000 als architect/bouwkundig adviseur voor een internationaal concern. In 2018 krijgt de inspecteur informatie waaruit blijkt dat X tot 1 juli 2014 samen met zijn echtgenote houder was van een bankrekening in Zwitserland. Volgens X kreeg hij via die rekening vanaf 1970 alleen voorschotten voor zijn onkosten. In geschil zijn de navorderingsaanslagen over 2006 en 2007. Deze zijn gebaseerd op het bekende saldo op 1 januari 2011 van € 287.339 en naar het feit dat dit saldo later met gemiddeld € 70.000 per jaar is afgenomen. Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant is de schatting van de inspecteur over de hoogte van het vermogen met te veel onzekerheden omkleed. De aanslagen worden vernietigd. De inspecteur gaat in hoger beroep.
Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de inspecteur aannemelijk maakt dat de Zwitserse bankrekening al voor 2006 bestond en het saldo niet veel lager was dan het saldo in 2011. Door het verzwijgen van die rekening was de verschuldigde belasting aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting. De bewijslast wordt daarom omgekeerd en verzwaard. Er is echter onvoldoende grond om aan te nemen dat het saldo vanaf 2006 in dezelfde mate daalde als na 1 januari 2011. De saldi in 2006 en 2007 kunnen dus in redelijkheid slechts op € 287.339 worden geschat, zijnde het bekende saldo op 1 januari 2011. Het beroep van de inspecteur is gegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27E
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Belastingrecht algemeen
Editie: 10 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag