De Hoge Raad oordeelt dat geen hogere verzuimboete opgelegd mag worden dan het gunstigste boeteregime toestaat.

Aan X is wegens het niet indienen van de aangifte IB/PVV 2011 een verzuimboete van € 984 opgelegd. Deze boete bedroeg 20% van het toen geldende wettelijke maximum van € 4920, omdat sprake was van een tweede aangifteverzuim (par. 21 lid 6a BBBB 2011). Hof ’s-Hertogenbosch matigt de boete wegens de financiële omstandigheden van X tot € 492.

De Hoge Raad oordeelt dat geen hogere verzuimboete opgelegd mag worden dan het gunstigste boeteregime toestaat. De op het legaliteitsbeginsel berustende bepalingen van art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR brengen mee dat geen hogere boete mag worden opgelegd dan gold ten tijde van het beboetbare feit. Daarnaast geldt op grond van art. 5:46 Awb (in overeenstemming met art. 1 lid 2 WvSr) dat bij latere wijzigingen het voor de overtreder gunstigste regime moet worden toegepast. Deze regels gelden ook voor beleidsregels; overgangsbepalingen in het BBBB die dit beperken, moeten buiten toepassing blijven. Dat betekent in dit geval dat aan X een boete van maximaal € 344 opgelegd mag worden, te weten 7% van € 4.920. De verhoging van het wettelijke maximum per 1 januari 2015 van € 4.920 naar € 5.278 kan niet worden toegepast omdat het beboetbare feit zich voor die datum heeft voorgedaan. Art. XV van de Bijstellingsregeling directe belastingen 2015 waarin is bepaald dat de verhoging in werking treedt met ingang van 1 januari 2015 moet in zoverre buiten toepassing blijven wegens strijd met de hiervoor genoemde verdragsbepalingen. Het cassatieberoep van X is gegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67A

Algemene wet bestuursrecht artikel 4.81

Algemene wet bestuursrecht artikel 5.46

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 10 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

94

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen