X gaat op 26 oktober 2023 in cassatie tegen de uitspraak op verzet van Rechtbank Den Haag. X verzoekt op 19 juli 2026 om vergoeding van immateriële schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor vergoeding van immateriële schade. In cassatie is weliswaar de redelijke termijn overschreden, maar het financiële belang bij deze procedure is minder dan € 1000. Het gaat namelijk slechts over nevenbeslissingen die bij de vaststelling van het financiële belang van de procedure buiten beschouwing dienen te blijven. Naar aanleiding van het verzoek wordt daarom volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond (zie art. 81 lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 6
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 21 september
Informatiesoort: VN Vandaag