De Hoge Raad oordeelt dat uit het pro forma verzetschrift niet is af te leiden waarom X BV in verzet is gegaan tegen de beslissing om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

X BV is pro forma in verzet gekomen tegen de uitspraak in hoger beroep inzake een BPM-zaak, waarbij dit beroep kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard wegens de niet-tijdige indiening ervan. Volgens Hof Den Haag zijn de gronden van het verzet niet aangevoerd binnen de geboden termijn voor herstel van het verzuim. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, zodat het verzet niet-ontvankelijk is. In haar pleitnota tijdens de zitting heeft X BV namelijk uitsluitend uiteengezet waarom de overschrijding van het hoger beroep wel verschoonbaar zou zijn. X BV gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat uit het pro forma verzetschrift niet is af te leiden waarom X BV in verzet is gegaan tegen de beslissing om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Dit geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het beroep faalt ook gelet op de gronden die zijn vermeld in HR 18 september 2026, 25/02299, ECLI:NL:HR:2026:1414. Er is geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie EU over strijdigheid met het Handvest van de grondrechten van de EU. Ook voor het overige is het beroep ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 6.5

Algemene wet bestuursrecht artikel 6.6

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.55

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie artikel 47

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie artikel 52

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Belastingheffing van motorrijtuigen

Editie: 21 september

Informatiesoort: VN Vandaag

9

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen