Duitsland kent een regeling op grond waarvan een fiscaal voordeel wordt toegekend voor de arbeidskosten van personeel dat door particuliere huishoudens in dienst wordt genomen. Het voordeel geldt voor diensten die worden verricht in huishoudens die zich bevinden op het grondgebied van een andere EU-lidstaat of een EER-staat en is ingevoerd om zwartwerk te bestrijden. De Duitse fiscus weigert echter om dit voordeel toe te kennen aan het echtpaar BT en CY. BT en CY hebben beiden de Duitse en Zwitserse nationaliteit en wonen in Zwitserland. Zij hebben verschillende Zwitserse ambachtslieden opdracht gegeven om werkzaamheden uit te voeren in hun in Zwitserland gelegen huis. In verband met hun Duitse inkomsten verzoeken BT en CY om toepassing van de regeling inzake onbeperkte belastingplicht. De Duitse rechter stelt een prejudiciƫle vraag in deze zaak.
Het Hof van Justitie oordeelt dat het in strijd met het EU-recht is dat Duitsland een bepaalde IB-verlaging in verband met werkzaamheden van ambachtslieden in een huishouden niet toekent wanneer deze werkzaamheden in Zwitserland worden verricht. De verlaging wordt namelijk wel toegekend wanneer het huishouden zich in de EU of de EER bevindt. Het Hof van Justitie overweegt daarbij onder andere dat het verschil in behandeling niet kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak om zwartwerk te bestrijden.
Wetingang:
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 21
Instantie: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rubriek: Europees belastingrecht
Editie: 21 september
Informatiesoort: VN Vandaag