X BV is pro forma in hoger beroep gegaan in een BPM-zaak. Volgens Hof Den Haag zijn de gronden daarvan niet aangevoerd binnen de geboden termijn voor herstel van het verzuim, zodat het beroep niet-ontvankelijk is. Op de laatste dag van de door de griffier gestelde termijn is weliswaar zonder opgaaf van redenen verzocht om verlenging van de termijn, maar dat is (online) nog dezelfde dag afgewezen. X BV gaat eerst vergeefs in verzet en gaat daarna in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat als een rechtzoekende de door de rechter gestelde termijn voor het aanvullen van gronden zonder opgaaf van redenen laat verstrijken, dan volgt uit art. 47 Handvest grondrechten EU niet dat de rechter verplicht is deze termijn te verlengen. Het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep wegens het niet tijdig indienen van de gronden is niet strijdig met EU-recht. Er is geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie EU. Het beroep van X BV is ook voor het overige ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.5
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.6
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.24
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie artikel 47
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie artikel 52
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Belastingheffing van motorrijtuigen
Editie: 21 september
Informatiesoort: VN Vandaag