Het verkrijgen van een op de beurs verhandelbaar optierecht tegen betaling van een optiepremie leidt in de tegenbewijsregeling van box 3 niet tot werkelijk rendement. Dat staat in een standpunt van de Kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst.

Opties leveren geen direct (regulier) rendement op. Waardeveranderingen gedurende de periode dat het optierecht in bezit is, worden daarom uitsluitend verwerkt via de vermogensaanwas. Bij uitoefening verlaat het optierecht het vermogen van de belastingplichtige. Deze onttrekking wordt gewaardeerd op nihil, omdat de optie na uitoefening geen zelfstandige waarde meer heeft. Daartegenover staat dat de belastingplichtige aandelen verwerft. De storting voor deze aandelen wordt gesteld op de uitoefenprijs. Dit betreft de vooraf afgesproken zakelijke prijs, die kan afwijken van de beurswaarde op het moment van uitoefening.

De Kennisgroep maakt duidelijk dat de systematiek hetzelfde werkt voor de optieverplichting, maar dan spiegelbeeldig aan het optierecht.

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.2

[Nieuwsbron]

Rubriek: Inkomstenbelasting

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 13 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

35

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen