Erflater X is in 2017 (mede-)eigenaar van drie verhuurde onroerende zaken met een totale WOZ-waarde van ruim € 8,5 mln. X heeft zijn 100% belang in C BV voor € 1 overgedragen aan een stichting, waarvan hij de enige bestuurder is. X heeft voorts rekening-courantvorderingen op een aantal BV's met negatieve eigen vermogens. F BV heeft weliswaar nog € 1986 aan liquide middelen, maar dat is niet toereikend om de rente van € 3162 te voldoen. In geschil is de IB-aanslag van X over 2017.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de erven X niet aannemelijk maken dat de waarde in het economische verkeer (WEV) van de onroerende zaken lager is dan de WOZ-waarden. Zo zouden twee daarvan vrijwel alleen een sloopwaarde hebben, maar deze zijn wel voor € 4.800.000 verzekerd. De erven maken ook niet aannemelijk dat bij de overdracht van de aandelen verlies uit aanmerkelijk belang is geleden. Zij maken wel aannemelijk dat de rente op de rc-vordering op F BV deels oninbaar is. Als van een onzakelijke lening de bijgeschreven rente de termijn is verstreken op 31 december 2017, dan moet die vordering worden gewaardeerd op de WEV. Voor de vordering op F BV heeft dit tot gevolg dat de TBS-correctie inzake de rente voor € 1176 (€ 3162 -/- € 1986) vervalt.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.90
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.19
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.19
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Inkomstenbelasting, Waardering onroerende zaken
Editie: 12 mei
Informatiesoort: VN Vandaag