X dient een aangifte IB/PVV 2022 in met een inkomen uit werk en woning van € 33.960. De inspecteur kondigt een correctie aan en stelt de aanslag vast naar een inkomen van € 36.743. X maakt bezwaar en dient tevens een ingebrekestelling in. De inspecteur verlengt de beslistermijn, verklaart het bezwaar gegrond en verlaagt het inkomen tot € 34.139. Daarna vermindert hij de aanslag ambtshalve verder tot € 33.960 en vernietigt de belastingrente. X gaat in beroep en verzoekt om een dwangsom en immateriële schadevergoeding.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de dwangsomregeling niet van toepassing is omdat de reactie van X op het voornemen tot afwijking geen aanvraag vormt en daarom geen bezwaarprocedure opent. De ingebrekestelling is bovendien prematuur en X stuurt na afloop van de beslistermijn geen nieuwe ingebrekestelling. De rechtbank oordeelt verder dat de redelijke termijn niet is overschreden, omdat tussen het bezwaarschrift en de uitspraak minder dan twee jaar ligt. X heeft daarom geen recht op een dwangsom of immateriële schadevergoeding. De aanslag blijft na de ambtshalve vermindering in stand.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 1.3
Algemene wet bestuursrecht artikel 4.17
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 5A
Instantie: Rechtbank Noord-Nederland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 12 mei
Informatiesoort: VN Vandaag