Rechtbank Den Haag oordeelt dat de naheffingsaanslag OB 2018 tijdig en op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. De inspecteur maakt terpostbezorging binnen de vijfjaarstermijn aannemelijk.

X drijft een eenmanszaak die ansichtkaarten en brochures verkoopt via studenten en scholieren. De inspecteur kondigt een boekenonderzoek aan over de jaren 2018 tot en met 2021 en legt vervolgens ter behoud van rechten een aanslag IB/PVV 2019 op naar € 100.000, een aanslag Zvw naar € 55.927 en een naheffingsaanslag OB 2018 naar € 25.000 met € 4.974 belastingrente. In het controlerapport concludeert de inspecteur dat inkoopfacturen ontbreken en de administratie niet controleerbaar is. In bezwaar zijn de aanslagen gedeeltelijk verminderd. In geschil is of de naheffingsaanslag OB 2018 tijdig is opgelegd en op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur met het verzendrapport aannemelijk maakt dat de naheffingsaanslag op 21 december 2023 aan PostNL is aangeboden. Daarmee vindt de bekendmaking overeenkomstig art. 3:41 Awb plaats en geldt op grond van art. 5 lid 1 AWR de dagtekening van 28 december 2023 als toetsmoment. Omdat deze dagtekening binnen de vijfjaarstermijn valt, is de naheffingsaanslag tijdig opgelegd. Het beroep tegen de naheffingsaanslag OB is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 3.41

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 20

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 12 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

177

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen