X sluit in 2008 een lijfrenteovereenkomst met BV1. X is verzekerde en is gerechtigd tot levenslange uitkeringen van € 681.171, die ingaan bij het overlijden van X’ langstlevende ouder. X’ twee minderjarige dochters hebben soortgelijke lijfrenten gesloten met BV1. X geeft de aanspraak in zijn aangifte IB/PVV 2016 aan in box 3 voor de waarde waarvoor de verplichting in de aangifte vennootschapsbelasting 2016 is opgenomen, een bedrag van € 5.886.201. De lijfrenteaanspraken van zijn dochters geeft hij niet aan. X’ beide ouders zijn in 2016 nog in leven. In 2022 legt de inspecteur een navorderingsaanslag op over 2016, waarbij hij de lijfrenteaanspraken in de rendementsgrondslag opneemt voor € 7.207.188, zijnde de waarde in het economisch verkeer. Volgens Rechtbank Den Haag is de waarderingsmethode van art. 19 lid 3 Uitv.besl. IB 2001 niet van toepassing omdat niet vaststaat wanneer de lijfrenten ingaan, nu de ingangsdata afhankelijk zijn van het overlijden van de langstlevende (groot)ouder. In geschil is de box 3-waardering van de lijfrenteaanspraken.
Hof Den Haag oordeelt dat de lijfrenteaanspraken dienen te worden gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer, dat wil zeggen op het bedrag waarvoor een zodanige uitkering kan worden aangekocht (art. 19 lid 11 Uitv.besl. IB 2001). Een waardering volgens het derde lid is niet aan de orde omdat deze bepaling beoogt te voorzien in de waardering van een nog niet ingegane levenslange periodieke uitkering waarvan de begindatum vooraf concreet kan worden bepaald. Nu de ingangsdatum afhankelijk is van het overlijden van de langstlevende (groot)ouder, en daarmee dus onbekend is, mist het waarderingsvoorschrift van het derde lid toepassing. De navorderingsaanslag is terecht opgelegd.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.19
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.23
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 artikel 19
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 artikel 19