Omdat X, ondanks uitnodiging, herinnering en aanmaning, geen aangifte indient, legt de inspecteur ambtshalve een IB-aanslag 2018 op aan X. De op 12 februari 2022 alsnog ingediende aangifte wordt door de inspecteur aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur wijst het verzoek af omdat X, ondanks herhaalde informatieverzoeken, niet reageert. Op 2 januari 2024 ontvangt de inspecteur een nieuw verzoek om ambtshalve vermindering, met dagtekening 27 december 2023. Dit verzoek wordt afgewezen wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat het verzoek om ambtshalve vermindering van 27 december 2023 terecht is afgewezen wegens termijnoverschrijding. X maakt niet aannemelijk dat het verzoek op 30 december 2023 in de postbus van de Belastingdienst is bezorgd. De rechtbank overweegt daarbij dat X het verzoek een paar dagen voor het einde van de termijn heeft verzonden en ervoor heeft gekozen om dit niet aangetekend te doen. Dat zij hierdoor in een geschil over de ontvangst geen gegevens kan overleggen, komt voor haar rekening en risico. Als datum van ontvangst op het kantoor van de Belastingdienst wordt daarom 2 januari 2024 aangehouden. Verder merkt de rechtbank nog op dat de verzendtheorie van art. 6:9 lid 2 Awb niet van toepassing is op een verzoek om ambtshalve vermindering. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar. Het beroep van X is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9.6
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 artikel 45AA
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 60
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.9
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 7 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag