X is de vader van erflater, die door medische fouten fysieke beperkingen heeft opgelopen en daarvoor smartengeld heeft ontvangen. Erflater blijft hierdoor zijn gehele leven ongewild partner- en kinderloos. Op 27 januari 2015 verkrijgt erflater een 3/10e onverdeeld aandeel in de woning van X en laat dit op eigen kosten verbouwen tot een zelfstandige aanleunwoning. Bij testament van 3 februari 2016 legateert erflater het recht van gebruik en bewoning van zijn aandeel aan X. In verband met het overlijden van erflater legt de inspecteur een aanslag erfbelasting op. Daarbij rekent hij het met smartengeld gefinancierde aandeel in de woning tot de grondslag van de erfbelasting en kent geen partnervrijstelling toe. X gaat in beroep.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat alles wat krachtens erfrecht wordt verkregen belast is met erfbelasting, ongeacht de herkomst van het vermogen. De wet biedt geen mogelijkheid tot onderscheid op grond van de financieringsbron. De uitsluiting van bloedverwanten in de rechte lijn als partner is volgens de Hoge Raad niet in strijd met het discriminatieverbod van art.14 EVRM. Het beroep op art. 8 EVRM verwerpt de rechtbank omdat X niet voldoet aan zijn stelplicht; de gestelde feiten zien op erflater, niet op X als belastingplichtige. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt eveneens, nu de uitsluiting een bewuste keuze van de wetgever is die ten volle is verdisconteerd in diens afweging.
Wetingang:
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 8
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 14
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Europees belastingrecht, Schenk- en erfbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 7 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag