X verblijft vanaf 2017 in detentie. Omdat X geen aangifte doet legt de inspecteur ambtshalve aanslagen IB/PVV 2016-2017 op. De aanslagen worden verzonden naar het voormalige woonadres van X. Pas geruime tijd later dient X bezwaarschriften in tegen beide aanslagen. De inspecteur verklaart de bezwaren niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. De inspecteur stelt hoger beroep in.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat X de bezwaren ruim buiten de termijn van zes weken na dagtekening van de aanslagen heeft ingediend. Op X rust de last aannemelijk te maken dat hij zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk, in beginsel binnen zes weken na kennisname, alsnog bezwaar heeft gemaakt. X slaagt hier niet in, waardoor de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het hof vernietigt de uitspraken van de rechtbank en bevestigt de uitspraken op bezwaar.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 7 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag