Het Centraal Planbureau (CPB) publiceerde recent het onderzoek 'De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens'. De conclusie kreeg direct brede aandacht: de hoogste inkomens zouden feitelijk een lagere belastingdruk betalen dan middeninkomens. Vooral de top 0,01 procent zou relatief weinig belasting afdragen.
Wie vervolgens de berichtgeving in de media leest, krijgt al snel de indruk dat dit een vaststaand gegeven is. Maar wie het volledige rapport leest (pdf), ziet een aanzienlijk genuanceerder beeld. Misschien de opvallendste conclusie uit het rapport komt in vrijwel geen enkele krantenkop terug. Het CPB schrijft namelijk letterlijk: “Het is niet duidelijk of in Nederland sprake is van een te hoge of een te lage ongelijkheid.”
Laat ik vooropstellen: ik lees CPB-publicaties doorgaans met veel interesse. Het CPB levert vaak waardevolle analyses en wijst terecht op reële verstoringen in het Nederlandse belastingstelsel.
Focus op de top 0,01 procent
Opvallend is hoe sterk de focus in het debat is verschoven. Waar ongelijkheid vroeger vooral werd besproken in termen van de top 10 procent of top 1 procent, gaat het nu steeds vaker over de top 0,01 procent van de inkomensverdeling: ongeveer 1.400 huishoudens.
Volgens het CPB bedroeg hun gemiddelde belastingdruk tussen 2011 en 2019 ongeveer 28 procent, tegenover 30 tot 35 procent voor midden- en hogere inkomens. Dit verschil in belastingdruk klinkt fors en vormt vanzelfsprekend directe voeding voor politieke pleidooien voor hogere belastingen op ondernemers en vermogen. Maar juist daar begint de methodologische discussie.
Het CPB rekent ingehouden bedrijfswinsten, de winsten die binnen de BV blijven en niet als dividend worden uitgekeerd, mee als persoonlijk inkomen van ondernemers. Daardoor lijkt de acute belastingdruk laag, omdat over die winsten nog geen box 2-heffing is betaald. Die belastingclaim verdwijnt echter niet. Bij uitkering volgt alsnog 31 procent box 2-heffing, bovenop de eerder betaalde vennootschapsbelasting.
Wie wel de winst economisch aan de aandeelhouder toerekent, maar de latente box 2-claim vervolgens niet meeneemt, creëert een ernstig vertekend beeld van de feitelijke belastingdruk.
Wanneer zou worden uitgegaan van directe volledige uitkering van winsten, inclusief de bijbehorende box 2-heffing, ontstaat een beeld waarin hogere inkomens uiteindelijk relatief meer belasting betalen dan nu in veel berichtgeving naar voren komt.
Daar komt nog iets bij. Juist in economisch onzekere tijden hebben we baat bij financieel sterke en solvabele ondernemingen. Veel familiebedrijven kiezen bewust voor een sober dividendbeleid en houden winsten binnen de onderneming om te investeren, buffers op te bouwen en toekomstige tegenvallers op te vangen. De huidige economische ontwikkelingen laten opnieuw zien hoe belangrijk dat is. Dat verdient eerder waardering dan wantrouwen. Zeker vergeleken met modellen waarin aandeelhouders via hoge dividenduitkeringen op korte termijn centraal staan, zoals regelmatig gebeurt bij private-equityconstructies.
Herverdeling via overheidsuitgaven
Krantenberichten wekken al snel de indruk dat de overheid nauwelijks zou herverdelen. Maar wie het rapport daadwerkelijk leest, ziet dat Nederland juist al op grote schaal herverdeelt, vooral via overheidsuitgaven.
Volgens het CPB stijgt het aandeel van de onderste helft van de inkomens door deze herverdeling van 19 naar 29 procent van het totale inkomen. Het gaat daarbij niet alleen om toeslagen en uitkeringen, maar ook om collectieve voorzieningen zoals zorg en onderwijs.
Dat betekent niet dat het huidige stelsel perfect functioneert. De verborgen marginale druk via toeslagen en inkomensafhankelijke heffingskortingen creëert juist forse verstoringen. Maar de suggestie dat er nauwelijks herverdeling plaatsvindt, volgt simpelweg niet uit het rapport zelf.
Ondernemingsvermogen is geen vrij besteedbaar vermogen
Ook bij vermogen speelt een vergelijkbare discussie. Een aanzienlijk deel van de vermogensgroei bij de top 0,01 procent bestaat uit stijgende bedrijfswaarderingen op papier. Daardoor worden succesvolle familiebedrijven in het debat over vermogensongelijkheid regelmatig benaderd als onderdeel van een maatschappelijk probleem.
Dat succesvolle Nederlandse familiebedrijven meer waard zijn geworden, hoeft op zichzelf geen maatschappelijk probleem te zijn. Het alternatief zou immers betekenen dat deze ondernemingen minder succesvol, minder innovatief en economisch zwakker waren geweest.
Een wezenlijke vraag is ook: moet ondernemingsvermogen wel zonder meer worden behandeld als vrij beschikbaar privévermogen? Pensioenvermogen wordt bijvoorbeeld juist bewust buiten veel vermogensstatistieken gehouden, omdat het niet vrij opneembaar is. Bij ondernemingsvermogen ligt die realiteit vaak niet anders. Juist daarom is het de vraag of familiebedrijven in vermogensstatistieken zomaar kunnen worden behandeld als vrij beschikbaar privévermogen. Een familiebedrijf is immers geen spaarrekening of effectenportefeuille. Achter dat vermogen zitten werknemers, continuïteit en toekomstige investeringen.
Meer fiscale precisie, minder politieke framing
Natuurlijk moeten ook succesvolle ondernemers en vermogenden substantieel bijdragen aan de samenleving. Ook arbitrage tussen boxen en sommige fiscale uitzonderingen verdienen kritische aandacht. Maar wanneer economische toerekeningen, kasstromen en belastinglatenties door elkaar gaan lopen, kan een beeld ontstaan dat op papier overtuigend lijkt, maar fiscaaltechnisch minder volledig is.
Familiebedrijven zijn geen zak geld. Het zijn ondernemingen die bijdragen aan werkgelegenheid, innovatie, belastinginkomsten en brede welvaart. Juist in economisch onzekere tijden hebben we belang bij financieel sterke ondernemingen die kunnen investeren, mensen in dienst houden en tegenvallers kunnen opvangen. Juist daarom verdient het debat over ondernemingsvermogen meer fiscale precisie en minder politieke framing.