De staatssecretaris van Financiën heeft het lijfrenteverzamelbesluit van 21 januari 2025 integraal vervangen. Ten opzichte van het vorige besluit zijn er zes inhoudelijke wijzigingen.
Het gaat om het Besluit van 31 maart 2026, nr. 2026-48474, Stcrt. 2026, 14092. De zes wijzigingen zijn:
- Intrekking goedkeuringen geruisloze terugbetaling
Het gaat om de volgende goedkeuringen: Als er abusievelijk een storting wordt gedaan op een lijfrenterekening kan deze storting binnen drie maanden na storting weer worden teruggevraagd. Dit vindt fiscaal geruisloos plaats. Dat wil zeggen, de terugbetaling is geen afkoop. Er wordt dan ook geen loonheffing op de terugbetaling ingehouden. Ook als de rekeninghouder zich pas na drie maanden meldt, kan de uitvoerder fiscaal geruisloos terugstorten, maar dan uitsluitend met een verklaring van de Belastingdienst. Ten slotte is het mogelijk dat van een te hoge premie of storting – de premie of storting is maar deels fiscaal aftrekbaar – het niet-aftrekbare deel fiscaal geruisloos terugbetaald wordt. Ook dit is alleen maar mogelijk met een verklaring van de Belastingdienst. Alle drie deze goedkeuringen zijn per direct ingetrokken. - Toedeling lijfrente vanuit huwelijksgemeenschap
Een lijfrente mag in het kader van de verdeling van een gemeenschap bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed geheel of gedeeltelijk worden overgedragen aan de ex-echtgenoot (art. 3.134 lid 2 Wet IB 2001). Maar wat nu als de rekeninghouder van een bancaire lijfrente (of houder van een lijfrentebeleggingsrecht) overlijdt? In dat geval geldt dat eerst de huwelijksgoederengemeenschap moet worden verdeeld en vervolgens de nalatenschap. Als de lijfrente vanuit de huwelijksgoederengemeenschap wordt toebedeeld aan de langstlevende dan is dat wettelijk bezien een verboden vervreemding. Immers, de toedeling vanuit de gemeenschap vindt in dat geval plaats vanwege overlijden en niet in het kader van echtscheiding of scheiding van tafel en bed. Het besluit voorziet voor deze situatie in een goedkeuring.
Goedgekeurd is dat in deze situatie geen sprake is van een verboden vervreemding. De Belastingdienst brengt dan ook geen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en revisierente in rekening. Maar hieraan zijn wel voorwaarden gesteld:- de erfgenamen moeten instemmen met deze verdeling; en
- de erfgenamen moeten worden gecompenseerd voor de waarde van de aanspraak.
- Wettelijke bedenktijd Brede Herwaardering I lijfrenteverzekeringen
Met ingang van 2026 is de regeling van de wettelijke bedenktijd (art. 3.133 lid 3 Wet IB 2001) aangepast. Maar voor lijfrenteverzekeringen waarop het regime van de Brede Herwaardering I (BH) van toepassing is, heeft de wetgever het niet goed geregeld. Dit wordt met het besluit alsnog geregeld:- voor BH-lijfrenteverzekeringen die expireren na 31 december van het vijfde jaar na AOW-ingang blijft de tot en met 2025 geldende regeling van art. 3.133 lid 3 Wet IB 2001 (oud) van toepassing. Maar het fictieve afkoopmoment wordt wel gesteld op 1 januari van het jaar na de respectievelijke bedenktijd bij leven of overlijden. Dat was eerder 31 december;
- voor BH-lijfrenteverzekeringen die expireren op of voor 31 december van het vijfde jaar na AOW-ingang geldt de nieuwe regeling van de wettelijke bedenktijd onverkort.
- Wettelijke bedenktijd pre-Brede Herwaardering I lijfrenteverzekeringen
Voor lijfrenteverzekeringen waarop het regime van voor de inwerkingtreding van de Brede Herwaardering I van toepassing is – de zogeheten oud regime lijfrenteverzekeringen – geldt vanaf 2026 bij een expiratiedatum tussen het vijfde en zesde jaar na AOW-ingang een bedenktijd korter dan een jaar. De wetgever heeft dat niet zo bedoeld. Daarom is nu voor deze situatie goedgekeurd dat de tot en met 2025 geldende regeling van art. 3.133 lid 3 Wet IB 2001 (oud) van toepassing blijft. Maar ook hier wordt het fictieve afkoopmoment gesteld op 1 januari van het jaar na afloop van de bedenktijd. Voor pre-Brede Herwaardering lijfrenteverzekeringen met een contractuele einddatum gelegen op of vóór 31 december van het vijfde jaar na AOW-ingang, is de sinds 2026 geldende wettelijke regeling van art. 3.133 lid 3 Wet IB 2001 onverkort van toepassing. - Jaarruimteberekening immigranten
De jaarruimte voor lijfrenteaftrek wordt berekend aan de hand van de relevante inkomensgegevens van het voorafgaande kalenderjaar. Een immigrant zou daardoor in het eerste jaar geen jaarruimte hebben omdat hij in het voorafgaande kalenderjaar geen binnenlands inkomen heeft. Het besluit biedt hiervoor een tegemoetkoming.
Goedgekeurd is dat een immigrant in het eerste jaar van binnenlandse belastingplicht voor de berekening van zijn jaarruimte mag uitgaan van dienovereenkomstige buitenlandse inkomensbestanddelen van het voorafgaande kalenderjaar. - Verrekening periodieke uitkeringen
In het besluit uit 2025 was voor het eerst goedgekeurd dat ex-samenwoners pensioenrechten kunnen verrekenen. Deze goedkeuring is in het nieuwe besluit uitgebreid tot periodieke uitkeringen.
Belang voor de praktijk
Het is opmerkelijk dat er zo snel na verschijning van het vorige lijfrenteverzamelbesluit nu weer een geheel herziene editie is gepubliceerd. De genoemde wijzigingen geven daar echter wel aanleiding toe.
In het verleden is het lijfrenteverzamelbesluit ook wel geactualiseerd met supplementen. Dat is echter onoverzichtelijk. Goed dus dat ervoor gekozen is het besluit integraal te vervangen. Verreweg de belangrijkste wijzigingen zijn (1) de intrekking van de goedkeuring voor fiscaal geruisloze terugbetalingen en (2) de goedkeuringen over de wettelijke termijn bij oud regime en Brede Herwaardering lijfrenteverzekeringen.
Voor wat betreft dit laatstgenoemde punt: alle lof dat de tekortkomingen in de regeling van de wettelijke termijn zo snel na invoering zijn weggenomen! Ter zake van het eerste punt – de intrekkingen – zijn we minder positief. De boodschap is duidelijk: belastingplichtigen moeten gewoon heel goed opletten als ze een lijfrentestorting doen en moeten zich er van tevoren goed van vergewissen dat de storting fiscaal aftrekbaar is. Per ongeluk (te veel) storten, levert geen grond meer op voor een fiscaal geruisloze terugstorting. De enige achtervang is de saldomethode van art. 3.107a Wet IB 2001.
Voorbeeld
Donald stort op 30 april 2026 per ongeluk € 10.000 op zijn lijfrenterekening. Hij wilde storten op zijn (box 3-)spaarrekening maar hij heeft zich vergist in het rekeningnummer. Hij verzoekt de bank nog diezelfde dag om het geld terug te storten. De bank kan hier echter niet langer aan meewerken. Als de bank € 10.000 zou terugstorten, moet deze hierop 52 procent loonheffing inhouden.
In 2027 doet Donald zijn aangifte inkomstenbelasting. Hij blijkt slechts € 3000 te kunnen aftrekken aan lijfrentestorting. Er ontstaat nu een onbelast saldo van € 2269 (art. 3.107a Wet IB 2001). Donald vraagt de Belastingdienst om een saldoverklaring. De bank kan na ontvangst van deze verklaring € 2269 onbelast terugbetalen. Voor het overige is sprake van een belaste lijfrenteaanspraak. Netto geld – tot een bedrag van € 4731 – is door Donalds fout bruto geld geworden, fiscaalrechtelijk een duur grapje!
Nota bene: Als gevolg van de intrekking van de goedkeuringen over fiscaal geruisloze terugstorting heeft de Kennisgroep Verzekeringsproducten en Assurantiebelasting van de Belastingdienst ook het hiermee samenhangende standpunt KG:070:2022:20 ingetrokken.
Bron: Legal & Tax Nationale Nederlanden
Informatiesoort: Nieuws
Rubriek: Inkomstenbelasting, Pensioenen