Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de schenkingen van de zoons aan X niet strekken tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis. Het hof bevestigt dat de vrijstelling op grond van art. 33 onder 12° SW 1956 niet van toepassing is.

X woont in België en had een LAT-relatie met haar overleden partner. De twee zoons zijn de enige erfgenamen. X sluit met hen een vaststellingsovereenkomst waarin zij een bedrag van € 500.000 ontvangt, verdeeld in twee schenkingen van € 250.000. X doet voor beide verkrijgingen aangifte schenkbelasting en beroept zich op de vrijstelling voor natuurlijke verbintenissen. De inspecteur past de vrijstelling niet toe. X overlegt diverse stukken, waaronder een handgeschreven wilsverklaring en verklaringen van personen uit de omgeving van de overledene. In geschil is of de schenkingen van de zoons aan X zijn vrijgesteld omdat zij strekken tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis in de zin van art. 6:3 BW.

Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat niet aannemelijk is dat de overledene een dringende morele verplichting jegens X had die als natuurlijke verbintenis kwalificeert, noch dat hij van zijn zoons verlangde deze na te komen. Ook vanuit de zoons bezien ontbreekt een objectief vast te stellen dringende morele verplichting. De vaststellingsovereenkomst kan een dergelijke verplichting niet creëren. Daarom is de vrijstelling van art. 33 onder 12° SW 1956 niet van toepassing.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Successiewet 1956 artikel 1

Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 3

Instantie: Hof 's-Hertogenbosch

Rubriek: Schenk- en erfbelasting

Editie: 14 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

9

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen