Ondernemingsvermogen dat niet voldoet aan de bezitseis, behoort tot de objectieve onderneming van art. 35b lid 1 SW 1956. Om te bepalen of de waarde going concern hoger is dan (afgerond) € 1,3 miljoen (bedrag 2024), waardoor de 83%-vrijstelling (percentage 2024) over het meerdere geldt, wordt al het ondernemingsvermogen meegenomen. Dat geldt ook voor het beleggingsvermogen dat tot de 5%-marge behoort en voor de BOR als ondernemingsvermogen wordt aangemerkt.
Als niet langer wordt voldaan aan het voortzettingsvereiste, vervalt voor zover (naar rato) de BOR-vrijstelling. Hierbij vervalt ook de BOR die is verleend over de 5%-marge naar rato.
In de casus worden de aandelen in Holding A BV geschonken. Holding A BV bezit langer dan vijf jaar alle aandelen in B BV en korter dan vijf jaar de aandelen in C BV. Daarnaast bezit Holding A BV beleggingsvermogen. Binnen de voortzettingsperiode wordt 70% van de aandelen in B BV verkocht.
Wetingang:
Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting artikel 7
Rubriek: Schenk- en erfbelasting
Regelgevende instantie: Belastingdienst
Editie: 11 mei
Informatiesoort: VN Vandaag