Bij het berekenen van de, per 1 januari 2025 afgeschafte, 5%-marge voor beleggingsvermogen in de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) wordt rekening gehouden met al het ondernemingsvermogen, dus ook met het ondernemingsvermogen dat niet voldoet aan de bezitseis. Dat volgt uit een standpunt van de Kennisgroep successiewet.

Ondernemingsvermogen dat niet voldoet aan de bezitseis, behoort tot de objectieve onderneming van art. 35b lid 1 SW 1956. Om te bepalen of de waarde going concern hoger is dan (afgerond) € 1,3 miljoen (bedrag 2024), waardoor de 83%-vrijstelling (percentage 2024) over het meerdere geldt, wordt al het ondernemingsvermogen meegenomen. Dat geldt ook voor het beleggingsvermogen dat tot de 5%-marge behoort en voor de BOR als ondernemingsvermogen wordt aangemerkt.

Als niet langer wordt voldaan aan het voortzettingsvereiste, vervalt voor zover (naar rato) de BOR-vrijstelling. Hierbij vervalt ook de BOR die is verleend over de 5%-marge naar rato.

In de casus worden de aandelen in Holding A BV geschonken. Holding A BV bezit langer dan vijf jaar alle aandelen in B BV en korter dan vijf jaar de aandelen in C BV. Daarnaast bezit Holding A BV beleggingsvermogen. Binnen de voortzettingsperiode wordt 70% van de aandelen in B BV verkocht.

Wetingang:

Successiewet 1956 artikel 35B

Successiewet 1956 artikel 35C

Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting artikel 7

[Nieuwsbron]

Rubriek: Schenk- en erfbelasting

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 11 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

269

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen