X is een neef van Y en een van haar erfgenamen. Tot de nalatenschap behoren landgoederen die zijn gerangschikt in de zin van de NSW 1928. De inspecteur verstrekt in 2004 een overzicht van de berekening van het verschuldigde successierecht en legt aanslagen successierecht op. Een deel van het verschuldigde successierecht is niet terstond invorderbaar (art. 7 lid 1 NSW 1928). Tussen partijen bestaat onenigheid over de omvang van het niet invorderbare deel. Naar aanleiding van de uitspraak van Hof Amsterdam in deze procedure stelt de inspecteur in 2009 bij verminderingsbeschikking het bedrag van het verschuldigde successierecht vast. In 2019 worden twee percelen grond die onderdeel zijn van de landgoederen verkocht. De inspecteur legt daarop in 2022 een aanslag erfbelasting op aan X. X is het hier niet mee eens en stelt dat de aanslagen uit 2004 zijn vernietigd naar aanleiding van de procedure en dat het totale bedrag aan verschuldigde erfbelasting is vastgesteld op € 20.633. In zijn ogen is dan ook geen reden voor het opleggen van de aanslag in 2022.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de inspecteur terecht in 2022 een aanslag erfbelasting heeft opgelegd in verband met de verkoop in 2019 van percelen grond die onderdeel waren van een NSW-landgoed. De procedure over de aanslagen uit 2004 betrof de terstond invorderbare bedragen. In die procedure zijn de aanslagen uit 2004 niet vernietigd. Door die uitspraak is wel het bedrag gewijzigd van het successierecht dat onder de voorwaardelijke invorderingsvrijstelling valt. Ook de overige stellingen van X, waaronder de beroepen op het vertrouwensbeginsel en het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel, worden verworpen. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Natuurschoonwet 1928 artikel 7
Natuurschoonwet 1928 artikel 8A
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 11
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Schenk- en erfbelasting
Editie: 7 mei
Informatiesoort: VN Vandaag