X en haar broer zijn de erfgenamen van hun in overleden 2016 vader. Vader was enig aandeelhouder van een BV die acht onroerende zaken in eigendom heeft, waarvan de meeste werden verhuurd. De werkzaamheden werden verricht door vader en twee werknemers. Volgens Rechtbank Gelderland is geen sprake van arbeid die naar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van voordelen die het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat. De BOR is niet van toepassing. X gaat in hoger beroep.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat ten tijde van het overlijden van vader geen materiële onderneming werd gedreven, zodat geen recht bestaat op toepassing van de BOR. X stelt vergeefs dat de investeringen die een huurder in een pand heeft aangebracht waardeverhogend zijn en aan de verhuurder toegerekend moeten worden. X maakt ook voor het overige niet aannemelijk dat arbeid is verricht die het normale vermogensbeheer overstijgt of dat er bijzondere kennis is toegepast. Het feit dat erflater zelf als beheerder fungeerde en bij het geëxploiteerde vastgoed woonde, is ook niet relevant. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.30A
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Inkomstenbelasting, Schenk- en erfbelasting
Editie: 12 juni
Informatiesoort: VN Vandaag