Rechtbank Gelderland oordeelt dat de belastingkorting bij Y moet worden verrekend met de verschuldigde inkomensheffing over zijn biww, waardoor geen ruimte meer bestaat voor een verhoging van de gecombineerde heffingskorting bij X. Deze is dan ook terecht teruggevorderd.

X geniet in het jaar 2022 geen belastbaar inkomen. Haar gecombineerde inkomensheffing bedraagt nihil. Y, de partner van X, verzoekt om zijn ab-verlies uit 2020 voor 2022 om te zetten in een belastingkorting. Nadat de inspecteur de belastingkorting heeft verrekend en de IB-aanslag 2022 van Y heeft vastgesteld op nihil, legt hij een IB-navorderingsaanslag op aan X. Hierbij wordt de aan X eerder verleende gecombineerde heffingskorting voor de minstverdienende partner teruggevorderd. X is het daar niet mee eens en stelt dat de belastingkorting geen heffingskorting is en dan dus ook niet als heffingskorting in mindering kan worden gebracht op de door Y verschuldigde inkomensheffing.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat de belastingkorting bij Y moet worden verrekend met de verschuldigde inkomensheffing over zijn biww, waardoor geen ruimte meer bestaat voor een verhoging van de gecombineerde heffingskorting bij X. Deze is dan ook terecht teruggevorderd. Door de verrekening van de belastingkorting bij Y bedraagt zijn gecombineerde inkomensheffing namelijk nihil. Dit heeft dan tot gevolg dat geen ruimte meer bestaat voor een verhoging van de gecombineerde heffingskorting bij X. De rechtbank merkt verder nog op dat de stelling van X, dat de belastingkorting als heffingskorting in aanmerking zou zijn genomen, geen feitelijke en juridische basis heeft. Dit kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden. De juistheid van de systematiek, waarbij de belastingkorting in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de gecombineerde inkomensheffing en de heffingskortingen pas daarna in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de gecombineerde heffingskorting, volgt onder andere uit het arrest van de Hoge Raad van 18 augustus 2023 (22/03706, ECLI:NL:HR:2023:1092, V-N 2023/37.3). Het gelijk is aan de inspecteur.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 8.1

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 8.8

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2.11A

Instantie: Rechtbank Gelderland

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 27 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

15

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen