Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel van een IVA-gerechtigde die arbeidskorting claimt niet slaagt, omdat vanuit het doel van de arbeidskorting geen sprake is van gelijke gevallen.

X ontvangt in 2024 een IVA-uitkering van het UWV van € 54.377 en een uitkering van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van € 1080. De inspecteur legt een aanslag IB/PVV 2024 op naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.609 zonder toepassing van de arbeidskorting. X maakt bezwaar en stelt dat de arbeidskorting ook op zijn inkomen van toepassing is. De inspecteur verklaart het bezwaar ongegrond. X stelt beroep in en beroept zich op het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel. In geschil is of het beperken van de arbeidskorting tot arbeidsinkomsten in strijd is met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel.

Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat het doel van de arbeidskorting is om betaald werk aantrekkelijker te maken. Vanuit dat doel bezien bestaat een relevant en objectief verschil tussen inkomen uit een IVA-uitkering (inkomen uit vroegere dienstbetrekking) en inkomen uit tegenwoordige arbeid. De rechtbank concludeert dat geen sprake is van gelijke gevallen en dat het beroep op het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel reeds daarom niet slaagt. Dat X door zijn arbeidsongeschiktheid geen mogelijkheid heeft om arbeidsinkomen te realiseren en dat de arbeidskorting gaandeweg sterk is verhoogd, doet hieraan niet af.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 8.11

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 14

Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 1

Instantie: Rechtbank Noord-Nederland

Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Sociale zekerheid algemeen

Editie: 27 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

12

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen