X woont sinds 1997 in Nederland en houdt sinds 2005 een assurance vie aan bij Generali in Frankrijk. Daarnaast bezit X onroerend goed in Frankrijk en een bankrekening bij Banque Palatine, een Franse bank. Een belastingadviseur verzorgt de aangiften IB/PVV van X. In de aangifte 2011 vermeldt de adviseur de assurance vie in box 1. Voor de jaren 2012 tot en met 2020 ontbreekt de assurance vie in de aangiften. Na ontvangst van informatie uit Frankrijk legt de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV op over 2011 tot en met 2016, 2019 en 2020 met heffingsrente, belastingrente en vergrijpboetes. In geschil is of de navorderingsaanslagen IB/PVV terecht zijn opgelegd, of het werkelijk behaalde rendement navordering verhindert en of de vergrijpboetes in stand blijven.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de navorderingsaanslag 2011 vervalt omdat de in box 1 betaalde belasting de verschuldigde box 3 belasting overtreft. Voor 2019 en 2020 vernietigt de rechtbank de navorderingsaanslagen omdat het werkelijk behaalde rendement op de assurance vie en bankrekeningen lager is dan het forfaitaire rendement. Het rendement op het Franse onroerend goed kan op nihil gesteld worden omdat Nederland daarvoor voorkoming van dubbele belasting moet verlenen. De navorderingsaanslagen 2012 tot en met 2016 blijven in stand: de inspecteur beschikt over een nieuw feit, handelt voortvarend en het beroep op het vertrouwensbeginsel en een individuele buitensporige last slaagt niet. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond en matigt de vergrijpboetes voor die jaren tot 20% conform het nadere standpunt van de inspecteur.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.3
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16
Wet rechtsherstel box 3 artikel 2
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 7 september
Informatiesoort: VN Vandaag