Aan oud-luchtmachtofficier X zijn een militair invaliditeitspensioen (MIP) en een bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV) toegekend in verband met opgelopen trauma’s. X maakt bezwaar tegen de aan hem opgelegde IB-aanslagen en stelt dat de uitkeringen een immateriële schadevergoeding (MIP) en een zuivere smartengelduitkering (BIV) vormen en dus niet met IB zijn belast.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur het MIP terecht als loon uit vroegere dienstbetrekking in de belastingheffing heeft betrokken. Ook de BIV is, alhoewel het een immateriële schadevergoeding is, terecht in de belastingheffing betrokken, als publiekrechtelijke periodieke uitkering. Voor de MIP geldt dat geen sprake is van een vergoeding voor immateriële schade of verlies aan arbeidskracht. Het is een aanvulling op het inkomen van de ex-militair die voortvloeit uit de vroegere dienstbetrekking bij Defensie. Voor de BIV geldt dat het wordt uitgekeerd op basis van een publiekrechtelijke regeling en in maandelijkse termijnen wordt uitgekeerd. Verder vervalt het recht op de uitkering bij overlijden. Er wordt daarom voldaan aan de criteria die gelden voor een publiekrechtelijke periodieke uitkering. De rechtbank verwerpt verder nog het beroep van X op een gelijke behandeling als voor een ‘Artikel 2-fonds’-uitkering en de Rietkerk-uitkering. Volgens de rechtbank is de situatie van X namelijk niet rechtens en feitelijk gelijk aan de situatie van de gerechtigden tot de Artikel 2-Fonds-uitkering of de Rietkerk-uitkering. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2.14
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.101
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.104
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Inkomstenbelasting, Sociale zekerheid algemeen, Loonbelasting
Editie: 4 september
Informatiesoort: VN Vandaag