X is vennoot in een VOF die sinds 2003 wordt gedreven door vader en drie kinderen. Na het overlijden van de vader in 2009 zetten de kinderen de VOF voort. De vleesveetak wordt afgebouwd en de activiteiten richten zich voornamelijk op akkerbouw. In 2019 overlijdt één van de andere vennoten. In dat jaar is door de VOF een winst behaald van € 6188 en in 2020 een verlies van € 6371. Na een boekenonderzoek stelt de inspecteur dat de onderneming in 2019 is gestaakt bij gebreke van een objectieve voordeelsverwachting. Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant kan ondanks een klein areaal toch een levensvatbaar bedrijf worden geëxploiteerd. Het verlies door een asbestsanering en hogere administratiekosten na het overlijden was onvoorzien en incidenteel. De inspecteur stelt in hoger beroep dat de totaalwinst over 2009 tot en met 2022 negatief is.
Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de totaalwinst niet positief hoeft te zijn wil sprake zijn van een objectieve voordeelsverwachting in enig jaar. Het standpunt van de inspecteur berust op een onjuiste lezing van art. 3.8 Wet IB 2001 en vindt ook geen steun in de jurisprudentie van de Hoge Raad. De bronbeoordeling moet in principe per jaar gedaan worden. In de periode die de inspecteur hanteert, wisselen de positieve (9 jaren) en negatieve resultaten (5 jaren) elkaar af. Daarom blijft sprake van ondernemingswinst en worden de aanslagen overeenkomstig de tussen partijen vaststaande bedragen verminderd.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.5
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.8
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Bedrijfseconomisch advies, Inkomstenbelasting
Editie: 4 september
Informatiesoort: VN Vandaag