Het vermogen van belanghebbende, X, is onder het bewind gesteld van een bewindvoerder. Nadat Rechtbank Den Haag een aan X opgelegde naheffingsaanslag heeft vernietigd, stelt de heffingsambtenaar hoger beroep in. Hof Den Haag verklaart het incidentele hoger beroep van X niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
Advocaat-generaal Pauwels buigt zich over de vraag of processtukken van personen van wie het vermogen onder bewind is gesteld, door de bestuursrechter op grond van art. 8:21 Awb aan de bewindvoerder moeten worden gestuurd. Hoewel een onderbewindgestelde handelingsbekwaam blijft, kan hij voor procedures die binnen de taak van de bewindvoerder vallen toch procesonbevoegd zijn. Of art. 8:21 Awb van toepassing is, hangt volgens de A-G daarom af van de aard van het geding in het licht van de taak van de bewindvoerder. De A-G meent dat het aanvechten van een belastingaanslag kan bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van een onderbewindgestelde en daarom tot de taak van de bewindvoerder kan behoren. In deze zaak had Hof Den Haag de brief met de gronden van het hoger beroep daarom aan de bewindvoerder (of diens gemachtigde) moeten sturen. Omdat dit niet is gebeurd, is de termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep niet tijdig gaan lopen. Het namens X ingestelde incidentele hoger beroep was daarom tijdig en is volgens de A-G ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast constateert de A-G dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het verzoek om vergoeding van wettelijke rente over de in hoger beroep toegekende proceskostenvergoeding. De A-G adviseert daarom de Hoge Raad het cassatieberoep gegrond te verklaren en de zaak zelf af te doen. De eerste grief van het incidentele hoger beroep, gericht tegen de door de rechtbank toegepaste wegingsfactor van 0,5, slaagt volgens de A-G niet. Hoewel de A-G instemt met het uitgangspunt dat een hogerberoepsrechter de wegingsfactor in volle omvang moet toetsen, kan daarbij volgens de A-G in de praktijk enige terughoudendheid worden betracht. In dit geval ziet hij geen aanleiding af te wijken van de door de rechtbank toegepaste wegingsfactor van 0,5. Ook de tweede grief van het incidentele hoger beroep faalt, omdat de rechtbank volgens de A-G wel degelijk heeft beslist op het verzoek om vergoeding van wettelijke rente over het griffierecht en de proceskostenvergoeding.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.21
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75
Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 27 juli
Informatiesoort: VN Vandaag