X maakt bezwaar tegen de leges voor de aanvraag van een paspoort. X stelt dat de kassabon niet voldoet aan de wettelijke eisen voor een belastingaanslag, omdat deze geen vermelding van leges bevat en geen rechtsmiddelenclausule. Op 12 februari 2024 stelt X de heffingsambtenaar in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar. De heffingsambtenaar doet op 13 maart 2024 uitspraak op bezwaar en verklaart het bezwaar ongegrond. Bij besluit van 5 juni 2024 stelt de heffingsambtenaar vast dat X geen recht heeft op een dwangsom.
Rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat X geen procesbelang heeft en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. X wenst uitsluitend een principiële uitspraak over de rechtsgeldigheid van de kassabon. Een enkel principieel belang is onvoldoende om procesbelang aan te nemen. Ten aanzien van de dwangsom stelt de rechtbank vast dat de heffingsambtenaar niet tijdig heeft beslist en een dwangsom van € 322 verbeurt (14 dagen à € 23 per dag). Het beroep tegen het dwangsombesluit is gegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.19
Instantie: Rechtbank Midden-Nederland
Rubriek: Belastingen van lagere overheden, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 27 juli
Informatiesoort: VN Vandaag