De maatregelen zijn gericht op het bestrijden van belastingvoordelen die ontstaan door verschillen in de fiscale kwalificatie van lichamen, instrumenten of vaste inrichtingen.
Het nieuwe besluit bevat vooral verduidelijkingen en aanvullende voorbeelden. Nieuw zijn beleidsstandpunten over de Amerikaanse GILTI- en NCTI-regimes, waarbij wordt bevestigd dat deze CFC-achtige heffingen niet leiden tot “betrekking in de heffing” in de zin van de hybridemismatchregels. Ook kan de aftrek van een kostenpost die bij een Nederlandse belastingplichtige vennootschap in aanmerking wordt genomen en die ook bij diens Amerikaanse aandeelhouder in aanmerking wordt genomen bij het toepassen van het GILTI-regime, niet tot dubbele aftrek leiden. Verder verduidelijkt het besluit hoe de regels uitwerken bij bedrijfsmiddelen, inventaris en voorraden. Betalingen voor de aanschaf daarvan vallen door activering in beginsel buiten het bereik van de hybridemismatchmaatregelen, maar latere afschrijvingen of afwaarderingen kunnen wel tot een hybride mismatch leiden.
Daarnaast bevat het besluit nieuwe standpunten over buiten beschouwing blijvende vaste inrichtingen en over stakingsverliezen van vaste inrichtingen.
Praktisch relevant zijn de nieuwe voorbeelden over cost-plusstructuren. De staatssecretaris accepteert daarin onder voorwaarden dat in bepaalde situaties sprake kan zijn van “dubbel in aanmerking genomen inkomen”, waardoor de ATAD2-aftrekbeperking buiten toepassing blijft en dubbele belastingheffing wordt voorkomen. De eerder opgenomen afwijkende regeling op dit punt is vervallen wegens gebrek aan praktisch belang.
Het vorige besluit van 31 oktober 2022 is opgenomen in V-N 2022/50.9.
Het nieuwe besluit treedt in werking op 25 juli 2026.
Wetingang:
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 12AA
Rubriek: Vennootschapsbelasting
Regelgevende instantie: Ministerie van Financiën
Editie: 27 juli
Informatiesoort: VN Vandaag