Hof Den Bosch oordeelt dat uitkeringen uit een beroepsarbeidsongeschiktheidsverzekering kwalificeren als belastbare periodieke uitkeringen in de zin van art. 3.100 Wet IB 2001.
De zaak (13 mei 2026, nrs. 25/596 t/m 25/599) verloopt als volgt. Een man, voormalig zelfstandig ondernemer, heeft een beroepsarbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten die voorziet in periodieke uitkeringen bij beroepsongeschiktheid. Sinds 2011 ontvangt hij – onder inhouding van loonheffing – dergelijke uitkeringen. De inspecteur betrekt deze uitkeringen in de aanslagen inkomstenbelasting 2018–2021 als inkomen uit werk en woning.
In geschil is of de uitkeringen kwalificeren als belastbare periodieke uitkeringen als bedoeld in art. 3.100, lid 1, onderdeel b, Wet IB 2001. De man stelt dat uitsluitend sprake is van beroepsongeschiktheid en niet van arbeidsongeschiktheid in de zin van de wet en om die reden niet zijn gedaan ‘ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval’. Art. 3.100 lid 1 onderdeel b Wet IB 2001 bepaalt dat periodieke uitkeringen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval belast zijn in box 1.
Daarnaast voert hij aan dat de uitkeringen zien op gemist arbeidsvermogen en daarom onbelast zijn, onder verwijzing naar – naar zijn mening vergelijkbare – uitspraken van Rechtbank Zeeland-West-Brabant en het hof (ECLI:NL:RBZWB:2022:5081 en ECLI:NL:GHSHE:2024:2311).
Het hof oordeelt dat de door de man ontvangen uitkeringen kwalificeren als belastbare periodieke uitkeringen in de zin van art. 3.100 lid 1 onderdeel b Wet IB 2001, nu deze rechtstreeks voortvloeien uit medisch vast te stellen stoornissen die hun oorzaak vinden in ziekte of ongeval. Dat de verzekering is gebaseerd op beroepsarbeidsongeschiktheid doet hieraan niet af.
Het hof volgt de man evenmin in zijn standpunt dat sprake is van een onbelaste vergoeding voor gemist arbeidsvermogen. De door hem aangehaalde jurisprudentie acht het hof niet vergelijkbaar, omdat die zaken betrekking hadden op schadevergoedingen van derden die buiten de inkomenssfeer vallen, terwijl in dit geval sprake is van uitkeringen uit een eigen verzekering als gevolg van ziekte en ongeval.
Belang voor de praktijk
Deze uitspraak bevestigt dat AOV-uitkeringen in beginsel onder het bereik van art. 3.100 Wet IB 2001 vallen zodra sprake is van een medisch causaal verband met ziekte of ongeval. Het onderscheid tussen beroepsarbeidsongeschiktheid en algemene arbeidsongeschiktheid is fiscaal niet doorslaggevend. Daardoor is de reikwijdte van het begrip “ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval” ruim.
Daarnaast blijkt dat een beroep op jurisprudentie over onbelaste schadevergoedingen slechts slaagt als sprake is van een uitkering die niet hoort bij een bron van inkomen,
bijvoorbeeld smartengeld. Uitkeringen uit een eigen verzekering behouden hun belastbare, inkomensvervangende karakter.
Bron: Legal & Tax Nationale Nederlanden
Informatiesoort: Nieuws
Rubriek: Inkomstenbelasting