X dient op 18 september 2025 verzoeken om ambtshalve herziening in voor de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2009 en de aanslagen IB/PVV en Zvw 2010. De inspecteur wijst deze verzoeken op 19 november 2025 af onder verwijzing naar art. 4:6 lid 2 Awb. X stelt op 21 november 2025 beroep in. De rechtbank behandelt deze beroepen als bezwaren. De inspecteur verklaart de bezwaren op 29 december 2025 niet ontvankelijk. X voert aan dat een lopend cassatieberoep vanaf 28 februari 2025 een nieuw feit vormt en dat daarom herziening moet plaatsvinden. In geschil is of X bij de verzoeken om ambtshalve herziening voor de aanslagen IB/PVV en Zvw 2010 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur de bezwaren voor 2009 terecht niet ontvankelijk heeft verklaard, omdat uitsluitend art. 65 AWR geldt en geen bezwaar openstaat. Voor de aanslagen 2010 oordeelt de rechtbank dat wel sprake is van een voor bezwaar vatbare beschikking zodat de inspecteur de bezwaren ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank beoordeelt vervolgens de verzoeken inhoudelijk en stelt vast dat X de verzoeken niet binnen de geldende vijfjaarstermijn heeft ingediend en geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. De afwijzing van 19 november 2025 blijft daarom in stand.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 4.6
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9.6
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 65
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 12 juni
Informatiesoort: VN Vandaag