X doet in 2018 BPM-aangiften voor drie Fiat Ducato kampeerauto’s. De voldane BPM is berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, waartegen X vergeefs bezwaar maakt. Op 16 april 2021 is de zaak door Rechtbank Noord-Nederland teruggewezen naar de inspecteur om X alsnog te horen. Daarnaast krijgt X een immateriële schadevergoeding (ISV) van € 1000, een griffierechtvergoeding van € 522 (3 maal € 174) en een proceskostenvergoeding van € 2658. Ondanks dat partijen vervolgens een concrete hoorafspraak hebben gemaakt, heeft X daar geen gebruik van gemaakt. Volgens Rechtbank Noord-Nederland is dat een bewuste vertragingstactiek en een bijzondere omstandigheid, die de langere duur van de nieuwe berechting in eerste aanleg rechtvaardigt. De voldane BPM is voorts niet te hoog. X stelt in hoger beroep dat de redelijke termijn van berechting is overschreden en claimt een ISV van € 10.500.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X zowel formeel als inhoudelijk diverse kansloze en niet terzake doende stellingen inneemt, waardoor de zaak feitelijk geen enkel financieel belang dient. Er kan dus worden volstaan met de constatering dat in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden (vgl. HR 14 juni 2024, 22/04592, ECLI:NL:HR:2024:853, V-N 2024/29.19). De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Wetingang:
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 6
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 artikel 10
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Belastingheffing van motorrijtuigen
Editie: 12 juni
Informatiesoort: VN Vandaag