X woont in Nederland en werkt sinds 2008 als verkeersvlieger bij een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde luchtvaartmaatschappij. X is gestationeerd in Italië en verricht in 2018 62,3% van zijn werktijd op of boven Italiaans grondgebied. De inspecteur stuurt op 4 december 2018 en 17 september 2019 brieven over de aanslag IB 2016, waarin hij de telling van fysieke verblijfsdagen bespreekt in het kader van art. 15 lid 2 van het belastingverdrag met Italië. In de brief van 17 september 2019 vermeldt de inspecteur expliciet dat aan het voor 2016 ingenomen standpunt voor toekomstige jaren geen vertrouwen kan worden ontleend. X doet aangifte IB 2018 op 31 maart 2020 en verzoekt om voorkoming van dubbele belasting. De inspecteur verleent bij uitspraak op bezwaar voorkoming voor 62,3% van het buitenlandse inkomen van € 142.077 op basis van een urenbreuk. In geschil is of X aan brieven van de inspecteur het vertrouwen ontleent dat iedere dag waarop gedeeltelijk in Italië is gewerkt als volledige Italiaanse werkdag geldt.
Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat X geen beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt. De inspecteur maakt in de brief van 17 september 2019 een duidelijk voorbehoud dat aan het standpunt voor 2016 geen vertrouwen voor toekomstige jaren kan worden ontleend. X doet aangifte IB 2018 ruim na kennisneming van deze brief. Bovendien zien de brieven op de telling van fysieke verblijfsdagen in het kader van art. 15 lid 2 letter a van het belastingverdrag met Italië, terwijl in het onderhavige geval art. 15 lid 1 van toepassing is. De gestelde toezegging betreft een ander artikellid met een andere maatstaf. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Wetingang:
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Internationaal belastingrecht, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 24 juli
Informatiesoort: VN Vandaag